ColumnArthur van Amerongen

’s Avonds bewaakte een vrouw met een rode vlag en een lantaarn de spoorwegovergang

Arthur van Amerongen

Het weinige dat ik mij herinner van mijn eerste bezoek aan Portugal, veertig jaar geleden, is heel veel drank, de trein en een combinatie van die twee. Ik reisde bij voorkeur in wagons waarin een toog was getimmerd. In zo’n rijdende kroeg zonder barkrukken, stoelen en tafels was drinken tot zijn ware essentie teruggebracht. 

Het was hartje zomer en de treindeuren stonden wagenwijd open. Zielsgelukkig zat ik op de vieze vloer te paffen en te slempen, met mijn spillebenen naar buiten bengelend. Het land was leeg en verlaten, en rook naar dennen en eucalyptus. 

Soms stond er langs het spoor een vrouw in een felgele jas te zwaaien met een rode vlag. ’s Avonds bewaakten deze guardas de passagem de nível de spoorwegovergangen met een lantaarn. Een beetje griezelig gezicht, maar dat kan aan mijn permanente roes hebben gelegen.

De moeder van mijn eerste huisbaas in Portugal was zo’n spoorwegovergangbewaker. Vijftig jaar lang had ze dat werk gedaan, voor een hongerloontje. Na een natte lunch liet ze me haar atributos de trabalho zien: de fluorescerende jas, een bugel, een kistje met rotjes, een vlag en een lantaarn.

Bugelgetoeter moest dieren op de rails afschrikken. De rotjes legde ze op de rails als er verderop iets aan de hand was op het spoor – een gestrande auto, een aangereden beest, een omgevallen boom – en waren het laatste middel om de machinist te waarschuwen. 

Het hokje dat bij haar baan hoorde, beschikte over een telefoon die in verbinding stond met ander spoorwegpersoneel. 

In die tijd was de telefoon net als de televisie een buitengewone luxe. Dorpelingen konden toen worden gebeld bij de kruidenier of in het café, waar ze ook tv keken. 

In een gehucht bij mij in de buurt zat tot voor kort nog een belkruidenier annex kroeg, vermoedelijk de laatste in de Algarve. Ik dronk er graag kelkjes bagaço (grappa) van 60 cent. 

De moeder van mijn huisbaas vertelde me dat de winterse avonden het zwaarst waren wanneer ze met haar door reuma aangetaste handen de spoorbomen omhoog moest zwengelen. 

Bij haar pensionering had ze de werkattributen willen teruggeven, maar omdat de baan werd opgeheven hoefde dat niet. 

Trots trok ze speciaal voor mij haar werkjas aan en fluisterde dat ze misschien wel levens had gered. 

In 1980 waren er ruim vijftienhonderd spoorwegovergangbewakers, nu nog amper vijftig. Het vak is op sterven na dood. De komende maanden ga ik op zoek naar de laatste engelen van het spoor.

EngelenspoorBeeld Gabriël Kousbroek
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden