ColumnOnno Blom

Rembrandt was niet in de wieg gelegd voor geleerde, werd op de Latijnse school snel duidelijk; maar hij stak er genoeg op om de verhalen prachtig te verbeelden

Rembrandt van Rijn, De ontvoering van Proserpina, uit circa 1631. Collectie Staatliche Museen, Berlijn. Beeld Heritage Images/Getty Images
Rembrandt van Rijn, De ontvoering van Proserpina, uit circa 1631. Collectie Staatliche Museen, Berlijn.Beeld Heritage Images/Getty Images

Het voelde of ik zou verdrinken in een zee van licht, toen ik voor het eerst de hal van mijn nieuwe school binnenstapte. Zonnestralen vielen in lange banen door de hoge ramen in de grote ronde hal, over de uitwaaierende stenen trappen en op het beeld van een antieke godin.

Mijn vader nam me die dag mee om me aan te melden als leerling van het Stedelijk Gymnasium in Leiden. Ik was 11.

We klopten op de deur van de rectorskamer en stapten een ruimte binnen die vol sigarenrook stond. Een man met een vriendelijk gezicht en een vierkante bril wuifde de rook met zijn hand weg. Toen hij achter zijn bureau vandaan kwam, zag ik dat de rector sandalen droeg met geitenwollen sokken erin. Het leer kraakte bij elke stap.

Terwijl de rector met mijn vader sprak, hield ik mijn hoofd schuin en las de ruggen in de kast: Ilias, Odyssee, Metamorphosen, Aeneis. Ik zou de antieke literatuur verslinden, al beet ik geregeld mijn tanden stuk op de vertaling.

Mijn rector, A.M. Coebergh-Van den Braak, een zachtmoedige classicus, schreef na zijn pensionering de geschiedenis van zes eeuwen Leids gymnasium, dus ook van de ‘grote school’ in de middeleeuwen en de Latijnse school, opgericht in 1574, het jaar dat Willem van Oranje Leiden een universiteit schonk.

In de allereerste biografie van Rembrandt, niet meer dan één pagina in de tweede druk uit 1641 van de Beschryvinge der stadt Leyden van Jan Jansz Orlers, staat dat zijn ouders hem ‘ter scholen bestede hebbende omme metter tijdt te doen leeren de Latijnsche Tale ende daer naer te brengen tot de Leytsche Academie.’

Rembrandt was een jaar of 7 toen hij door zijn vader werd ingeschreven op de Latijnse school, waar het Latijn er met harde hand werd ingeramd. Het gebouw uit 1599 bestaat nog, heeft een van de mooiste trapgevels van de stad en een bloedrode brede deur, waardoor eeuwenlang dagelijks een paar honderd leerlingen in en uit zijn gegaan.

Orlers schrijft dat Rembrandt ‘geen lust ofte genegenheyt’ had om te leren of de wetenschap te gaan dienen, dat zijn hart alleen maar uitging naar schilderen en tekenen. Zijn ouders haalden hun zoon na een paar jaar weer van school en deden hem in de leer bij de plaatselijke schildersmeester Jacob van Swanenburg.

Toch moet die jongen wat hebben opgestoken in de les. Rembrandts werk geeft blijk van een diepgaand inzicht in de mythische verhalen die hij in verf vertelde – en die verhalen hoorde hij voor het eerst op de Latijnse school.

Toen Rembrandt Proserpina schilderde, en zich voorstelde hoe zij door Pluto werd meegesleurd naar de onderwereld en huilend om haar moeder riep, kon hij dat in Ovidius’ Metamorphosen naslaan: ‘usque adeo est properatus amor. dea territa maesto / et matrem et comites, sed matrem saepius, ore / clamat.’

‘Zo snel kan liefde gaan. Het goddelijke meisje, doodsbenauwd, roept huilend naar haar moeder en vriendinnen, maar naar haar moeder het meest.’

Rembrandt is geen wetenschapper geworden, maar hij wist precies wat hij deed als hij zijn verbeelding aan het werk zette.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden