Column Peter de Waard

Regelt Rutte III met de rente iets voor Rutte IV?

Het is een mooi staaltje van over het graf heen regeren. Staatssecretaris Snel van Financiën maakte vrijdag in een brief aan de Tweede Kamer bekend dat het kabinet voornemens is in 2022 belasting te gaan heffen over wat een realistisch rendement wordt genoemd.

De vermaledijde belasting in box 3 over het huidige fictief rendement van 4 procent over het spaargeld - terwijl de rente bijna niets is - gaat op de helling. Maar pas na de Tweede Kamerverkiezingen van 2021, terwijl het kabinet nu in de aanloop naar Prinsjesdag toch bezig met de begroting van 2020 in elkaar te timmeren.

Toen de hoogste baas van Unilever in een sms ooit dreigde het kantoor naar Londen te verkassen, bleek Rutte van de ene op andere dag in staat te zijn de dividendbelasting af te schaffen. Maar de kleine spaarder zal zijn fiscale adres niet kunnen verplaatsen. Die kan nog wel even op de blaren zitten, terwijl de gemiddelde spaarrente al 25 jaar onder de 4 procent ligt, bijna 5 jaar onder de 1 procent en nu zelfs negatief dreigt (‘onvermijdbaar’ schreef het FD maandag al) te worden. Niettemin vergen de wettelijke aanpassingen nog eens drie jaar.

De operatie moet budgetneutraal zijn. Of Rutte III wil niet Rutte IV - nu ook Baudet zich al op hem heeft stukgebeten is een nieuwe termijn al in het vizier - met een gat opzadelen. Daarom moet compensatie worden gezocht. De voordelen van de spaarders zullen daarbij worden afgewenteld op de obligatie- en aandeelhouders. Die moeten meer gaan betalen. Voor spaargeld zal in de toekomst een realistisch fictief rendement gaan geleden. Dat zal liggen bij de gemiddelde spaarrente. Die is nu 0,09 procent. Voor overige beleggingen (aandelen, obligaties) zal een rendement gaan gelden van 5,33 procent.

Tot 30 duizend euro aan bezittingen (waaronder spaargeld) wordt er niet geheven. En daarnaast is 400 euro rendement vrijgesteld. Wie een half miljoen euro spaargeld heeft, zal bij een rente van 0,09 procent belasting over 450 euro moeten betalen. Omdat de eerste 400 euro belastingvrij is, rest er nog 33 procent belasting over 50 euro is 16,50 euro.

Wie 440 duizend euro spaargeld heeft, blijft bij 0,09 procent onder de grens van 400 euro. Maar als de realistische of gemiddelde rente komende drie jaar stijgt naar bijvoorbeeld 5 procent, is het ineens heel andere koek. Wie dan 440 duizend euro aan spaargeld heeft, betaalt 33 procent van 22 duizend euro minus 400 euro: 7.128 euro.

In plaats van zich te ergeren aan de lage rente zullen spaarders er bijna voor gaan bidden. Voor obligatiehouders zal wel een vast fictief rendement gelden van 5,33 procent, terwijl die ook een negatief rendement kennen. Dat zou obligatiehouders ertoe kunnen verleiden op de peildatum hun stukken te verkopen en het een etmaal op een spaarrekening te zetten.

Voor deze maas moet Snel nog wat verzinnen. Maar daar heeft hij tot na de verkiezingen de tijd voor.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden