Essay Sander van Walsum

Regels zouden het algemene belang moeten dienen, maar worden vooral ervaren als inperking van de vrijheid

Beeld Aad Goudappel

Sociale controle klinkt naar bemoeizucht en dus verwachten we dat de overheid de openbare ruimte leefbaar houdt. Het leidt, betoogt Sander van Walsum, tot wetten die onnodig zijn als burgers elkaar weer zouden aanspreken op hun gedrag.

Van de Inuit werd gezegd dat zij tientallen, zo niet honderden namen hadden voor sneeuw. Wat sneeuw in dit verleidelijke broodje-aapverhaal is voor de Inuit, is regelgeving voor de Nederlanders: ze kennen regels in uiteenlopende verschijningsvormen en gradaties van dwang. Er zijn regels die met ieders instemming worden gehandhaafd, en regels waarvan de handhaving op brede weerstand stuit. Er zijn regels die slechts in naam worden gehandhaafd, regels waarvan we betwijfelen of ze worden gehandhaafd, regels die soms wel en soms niet worden gehandhaafd, regels waarvan we zeker weten dat ze niet kunnen worden gehandhaafd, regels die op de ene plek wel, en op de andere plek niet worden gehandhaafd, en regels waarvan de overheid zegt dat ze niet zullen worden gehandhaafd. Voor veel regels geldt wat geldt voor het schilderij Ceci n’est pas une pipe van René Magritte: ze bestaan slechts in de perceptie.

Nederlanders zijn snel geneigd de legitimiteit of de eerlijkheid van een regel in twijfel te trekken. Daarvan getuigt onder andere de retorische vraag waarmee veel wetshandhavers, naar verluidt, worden geconfronteerd als zij hun werk doen: ‘Heb je/heeft u niets beters te doen?’ Nederlanders worden, met andere woorden, snel balorig als een regel ook op hén van toepassing blijkt te zijn. En een stoplicht móét wel worden genegeerd als het naar hun oordeel op de verkeerde plek of te lang op rood staat.

Regels worden geacht het algemeen belang te dienen. Maar ze worden vooral ervaren als een inperking van de individuele vrijheid. In Nederland misschien wel meer dan elders. Die indruk kreeg ik althans tijdens een vijfjarig verblijf in Berlijn – naar Duitse maatstaven niet meteen de exponent van gezeglijkheid. Toch heb ik er de weldadige rust kunnen ervaren die uitgaat van fietsers en voetgangers die een rood stoplicht niet massaal negeren. Regels waren er niet alleen voor de gekke henkies die het vriendelijke gebod van het Ampelmännchen respecteerden, maar voor iederéén. Een mooi gelijkheidsbeginsel.

Regels knellen niet per definitie. Ze kunnen ook het vertrouwen tot uitdrukking brengen dat individuele vrijheid niet wordt misbruikt. Dat ervoer ik toen een van mijn zoons met zijn Berlijnse hockeyelftal deelnam aan een toernooi bij zijn oude club in Nederland. Om te beginnen hoefden elf puberende jongens en een paar reservespelers slechts door twee volwassenen te worden begeleid – van wie een vooral voor de gezelligheid meeging. Meer toezicht op de naleving van gedragsregels was niet nodig. De Nederlandse gastheren en -vrouwen hadden talrijke ouders moeten optrommelen om te voorkomen dat hun kinderen massaal aan het zuipen en het blowen sloegen.

De jongens uit Berlijn sloegen hun tenten op aan de rand van het lommerrijke terrein, en niet in de nabijheid van de wc’s, omdat het voor hen vanzelf sprak dat zij niet in de bosjes zouden poepen en pissen. Tot ongeloof van de organisatoren. ‘Kadaverdiscipline’, oordeelde een van hen routineus. Waarmee hij bondig het misverstand verwoordde dat regels wel moeten worden opgelegd omdat onze vrijheidsliefde ertegen in opstand komt. En passant kreeg de ongezeglijkheid van de Nederlandse hockeyers, die na twee dagen doodmoe en haveloos huiswaarts keerden, ook iets nobels: zij bepaalden zelf wat hun grenzen waren. In werkelijkheid hadden hun Berlijnse gasten meer vrijheid genoten. En zij hadden ook nog beter gespeeld. Tel uit je winst.

De houding van Nederlanders tegenover regels heeft uiteraard een voorgeschiedenis. De voorgeschiedenis van een dichtbevolkt land dat een burchtvrede nastreeft tussen mensen met uiteenlopende geloofsopvattingen en temperamenten. De schuilkerk, waar rooms-katholieken of remonstranten ongezien maar ongehinderd hun verboden geloof konden belijden, gaf uitdrukking aan die pragmatische tolerantie. De Nederduitse Gereformeerde Kerk, de ‘staatskerk’ van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, verbande de vrijzinnige (‘rekkelijke’) remonstranten in 1619 – tijdens de Synode van Dordrecht. De zogenoemde Dordtse Leerregels, waarin de afwijzing van de remonstrantse ‘dwaalleer’ werd vastgelegd, bleef van kracht (tot op de huidige dag). Maar hun feitelijke invloed was gering: al na enkele jaren keerden de remonstranten uit hun ballingschap terug en betrokken zij hun eerste schuilkerken. Daarmee begon het grote gedogen, dat eeuwen later culmineerde in de nauwelijks uit te leggen regelgeving voor coffeeshops, die hun waren wel ‘aan de voordeur’ mogen verkopen, maar die niet ‘aan de achterdeur’ mogen worden bevoorraad.

Beeld Aad Goudappel

Verdienmodel voor maffiosi

Nog afgezien van het feit dat deze byzantijnse constructie snel als verdienmodel werd ontdekt door maffiosi uit alle delen van de wereld, draagt ze – als voorbeeld van regelgeving met onduidelijke rechtsgevolgen – bij aan het onbehagen van veel mensen. Zij zien een kloof tussen het oogmerk van een regel en zijn reële betekenis. Zij zien chaos waar regels worden geacht orde te scheppen. En zij zien rechtsongelijkheid. De regels die door de een – de spreekwoordelijke gekke henkie – worden geëerbiedigd, kunnen door de ander straffeloos worden genegeerd.

Misschien is in de praktijk veel op deze perceptie af te dingen, maar het bestaan van die perceptie is al zorgwekkend genoeg. Ze hangt nauw samen met het maatschappelijke verschijnsel dat al jaren door het SCP wordt gesignaleerd: de meeste mensen zijn wel positief over hun eigen leven maar niet over de toestand van de samenleving als geheel. Achter dit ‘mij gaat het goed, maar ons gaat het slecht’ gaat de opvatting schuil dat op de stoep een rechtsvrije ruimte begint waar de brutalen het voor het zeggen hebben.

De mensen die deze opvatting huldigen, zijn zich daar ook naar gaan gedragen. Uit beduchtheid voor een grote bek – of erger – laten zij het na om de brutalen die bezit zouden hebben genomen van de openbare ruimte aan te spreken op hun gedrag. Zij koesteren het privédomein, maar hebben de openbare ruimte feitelijk opgegeven. Buurtapps als Nextdoor getuigen onbedoeld van dit defaitisme. Gebruikers beklagen zich digitaal over een onaangekondigd tuinfeest in de buurt of over vuilniszakken die naast de container zijn gestald. Met hun apps laten mensen zien dat ze weten hoe het hoort, maar ontslaan zij zichzelf tevens van de plicht (veronderstelde) boosdoeners te corrigeren. Zij oefenen sociale controle uit op veilige afstand en hebben vermoedelijk geen illusies over het effect. Want wie er geen problemen mee heeft om vuil te dumpen, zal niet onder de indruk zijn van een verontwaardigde buurtapp.

Na een paar eeuwen rekkelijkheid in de omgang met regels zouden we beter moeten weten, maar nog steeds wekken onwenselijke verschijnselen of onvoorziene gevolgen van bestaande regels de reflex om nóg meer regels te scheppen. Het onbehagen over tekortkomingen in de regelgeving wordt met regels bestreden. Met al die regels scheppen we een papieren werkelijkheid. Die is onderdeel van wat criminoloog en psycholoog Hans Boutellier de ‘veiligheidsutopie’ noemde: de paradox dat de mens zich enerzijds in volle vrijheid wil ontplooien, maar anderzijds door de overheid wil worden behoed voor de (gezondheids)risico’s die hij daarmee loopt. Dat is niet de enige paradox in het wensenpatroon van de burger: zijn roep om regels slaat om in boosheid als hij zelf de nadelige gevolgen van die regels meent te ondervinden. Regels mogen in principe voor iedereen gelden, in de praktijk ontmoet dat principe nogal wat weerstand.

De grote regeldichtheid is echter een rechtstreeks gevolg van het feit dat de burger zich uit de openbare ruimte heeft teruggetrokken en daarmee de sociale controle heeft gedelegeerd aan wetshandhavers. En ook dat is enigszins paradoxaal: enerzijds heeft de mondig geworden burger zich losgemaakt van gezagdragers, anderzijds heeft hij de zeggenschap over de openbare ruimte overgelaten aan die gezagdragers, en spreken geëmancipeerde burgers elkaar niet op hun gedrag aan. Dat werd gezien – zelfs gevierd – als onderdeel van de ontvoogding die zich sinds de jaren zestig heeft voltrokken. Vrije burgers in een ontzuild land hoefden geen opmerkingen meer van elkaar te vrezen over hun levenswandel, over de staat van onderhoud van hun voortuin of over de verstoring van de zondagsrust.

Lotsverbondenheid kwijtgeraakt

Daarmee is veel gewonnen, zeker. Wie momenteel de voortreffelijke televisieserie De (h)eerlijke jaren 50 volgt, kan zich goed verplaatsen in de bromnozems en de provo’s die aan de bedomptheid en de spruitjesmoraal van die tijd wilden ontkomen. Maar in hun emancipatieproces zijn de mensen ook veel van hun onderlinge lotsverbondenheid kwijtgeraakt. Zij toonden zich begaan met slachtoffers van foute regimes of met mensen die binnen het uitdijende blikveld van nieuwe media honger leden. Maar tegen dat mondiale engagement legde de bekommernis om de naaste omgeving het af.

Daarmee hebben vrijgemaakte burgers elkaar en zichzelf tekortgedaan. Want zij zijn wellicht heel goed in staat om zelf de openbare ruimte leefbaar te houden – zonder op vastgelegde regels terug te hoeven vallen. Van die regels is ongewis of en hoe zij worden gehandhaafd. Er gaat minder disciplinering van uit dan van een lossere of ontbrekende reglementering van gedrag. Zo leert de ervaring in het verkeer, waar de interactie tussen mensen het intensiefst is, dat het reduceren of schrappen van regels niet per definitie leidt tot meer onveiligheid of agressie tussen verkeersdeelnemers.

Integendeel: volgens het Instituut voor Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid zijn rotondes veiliger dan de – veel dwingender – kruisingen met stoplichten ‘omdat ze het aantal potentiële conflicten tussen verkeersdeelnemers terugbrengen en de verkeerssnelheid verlagen’. De ‘shared space’ achter het Centraal Station in Amsterdam – een regelvrije ruimte zonder wegmarkeringen en verkeersborden – dwingt voetgangers en fietsers ertoe meer nota van elkaar te nemen. Naar het zich laat aanzien – definitieve conclusies worden later getrokken – is de verkeersveiligheid erdoor toegenomen.

Uit onderzoek van de gedragswetenschapper Pieter Desmet, verbonden aan de Erasmus Universiteit, blijkt dat mensen niet meteen in wetteloosheid vervallen als ze weten dat regels tijdelijk niet worden gehandhaafd. Bij een werkonderbreking van de verkeerspolitie negeren ze niet ineens massaal de maximumsnelheid. En ze gaan niet wildplassen als ze weten dat de pakkans nihil is. De overheid, gewend aan een bevoogdende rol, kan zich dus best een terugtrekkende beweging uit de openbare ruimte veroorloven. Regels waarvan onwaarschijnlijk is dat ze worden gehandhaafd, kunnen beter worden geschrapt – of niet worden ingevoerd. De illusie van regelgeving is fnuikender voor het rechtsbesef dan het ontbreken van regels.

Rechtsvrije ruimte voorkomen

De burger zelf moet voorkomen dat een regelarme of regelvrije ruimte zich ontwikkelt tot een rechtsvrije ruimte waar de sterkste heerst. Dit betekent dat zij hun schroom om elkaar te corrigeren van zich moeten afschudden. Dat zal, zo’n zestig jaar nadat de vermaledijde sociale controle jubelend bij het grofvuil werd gezet, niet meevallen. En de burger is na een lange reeks incidenten onder de noemer ‘zinloos geweld’ ook niet aangemoedigd om op straat flink te lopen doen. Van hem kan uiteraard niet worden gevergd dat hij een vergeefse strijd tegen een overmacht aangaat. Maar nu verbergt hij zich wel erg makkelijk achter de waarschijnlijkheid dat hij klappen krijgt als hij een wildplasser aanspreekt. Volgens de gedragswetenschapper Desmet is die wildplasser even gevoelig voor een afkeurende opmerking van een burger als voor een reprimande van een politieagent.

Dat de burger meer invloed heeft in de openbare ruimte dan hij zelf wil zien, kan ook worden opgemaakt uit het feit dat het gros van de hondenbezitters met een paar plastic zakjes uit wandelen gaat. Niet uit beduchtheid voor een boete, maar omdat passanten snel blijk geven van hun afkeer van hondenpoep. Daar hebben zij echt geen gemeentelijke verordening of een verbodsbord voor nodig. Op dat zelfregulerend vermogen zou vaker een beroep moeten worden gedaan. En de politie? Die ziet toe op naleving van regels waarvan de burger zeker weet dat ze worden gehandhaafd.

Sander van Walsum is redacteur van de Volkskrant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden