Persvrijheidslezing

Radicale onafhankelijkheid en onverschrokkenheid van de journalistiek kunnen ook van binnenuit worden aangetast

De onafhankelijke pers wordt in Nederland  van binnenuit bedreigd, aldus Sheila Sitalsing, die afgelopen donderdag de Persvrijheidslezing uitsprak op het Festival van het vrije woord in Beeld en Geluid in Hilversum. Hierbij de bekorte versie. 

Sheila Sitalsing. Beeld Julius Schrank

‘Mijn aanvankelijke plan was om u hier vanavond een bloemlezing te presenteren van de fraaiste vunzigheid die mij bereikt via e-mail, via Facebook Messenger, via Twitter en via de gewone, ouderwetse brievenbus.  (..) Maar toen gleed er een mailtje mijn berichtenbus in van compleet andere aard. En toen dacht ik: nee, we moeten het over iets anders hebben. 

Over de potentiële uitholling van de onverschrokken en radicaal onafhankelijke journalistiek van binnenuit.

Over de grote, structurele veranderingen die zijn geslopen in de manier waarop de journalistiek is georganiseerd, en over de gevolgen die dit kan hebben voor de onafhankelijkheid.

En dus ook voor de geloofwaardigheid van de titel ‘journalist’. En voor de geloofwaardigheid van journalistiek werk.

Wat stond er in dat mailtje? Niks bijzonders.

Het was een vriendelijk geformuleerd verzoek, zo’n verzoek dat veel freelancers wel vaker in hun mailbox krijgen, om een bijeenkomst te modereren.

Een zakelijke bijeenkomst: grote commerciële partijen, veel mensen op het niveau van de boardroom in de zaal, belangrijke maatschappelijke thema’s op het programma.

Een keurige bijeenkomst kortom, waarvoor een moderator werd gezocht onder journalisten.

In het gemailde verzoek stond een zinnetje waar ik aan bleef haken: ‘Voorafgaand zal overleg zijn over hoe kritisch de moderator kan ingaan op reacties en kan doorvragen.’

Volslagen logisch, vanuit de organisator gedacht.

Zo’n samenzijn kost veel geld, het is primair een netwerkbijeenkomst voor de eigen club, het moet er aangenaam en beschaafd blijven, en het is beslist niet de bedoeling dat mensen in verlegenheid worden gebracht door een moderator in te huren die in deze setting Nieuwsuurtje wil gaan spelen en ongemakkelijke vragen wil gaan stellen.

Volslagen logisch ook dat er journalisten zijn die ingaan op dit soort verzoeken, en de gestelde beperkingen zonder veel discussie accepteren.

Ook als er op dat podium een parade van grote namen uit het bedrijfsleven langskomt die misschien op datzelfde moment wel groot in de krant staan, bijvoorbeeld omdat er ophef is over hun beloningen, of nieuws over belastingontwijking, of over uitbuiting in hun vestigingen ver weg, of over hun mislukte lobby in Den Haag voor de afschaffing van het een of ander.

Daar sta je dan, als journalist maar nu even niet. Terwijl de kwesties uit het ochtendnieuws als een donderwolk boven dat podium hangen, moet er bij het script worden gebleven: ‘Heeft u lekker geslapen, excellentie?’

Het aannemen van dit soort opdrachten is van alle tijden. De discussie over hoe je ermee omgaat ook; we voerden hem tien, twintig jaar geleden ook al.

De argumenten vóór zijn al net zo oud: je bent er zelf bij, professionals kunnen dit soort zaken heel goed scheiden, en wanneer ze later, met hun journalistenpet op, zo’n ceo opnieuw voor hun microfoon krijgen, komen die kritische vragen over beloningen en belastingontwijking en uitbuiting en lobbyen heus wel.

Onverschrokken en radicaal onafhankelijk.

Verschil met vroeger

Maar er is een fundamenteel verschil tussen vroeger en nu. Vroeger vormde dit circuit een randverschijnsel in de journalistiek waarin zich met name presentatoren bewogen.

Net zoals het vroeger een uiterst zeldzaam randverschijnsel was dat economisch journalisten weleens werd gevraagd om mee te helpen bij het schrijven van een jaarverslag. Of met het schrijven van een stukje voor een bundel van een semi-overheidsinstantie.

(In het kader van full disclosure: Dat laatste heb ik zelf een half mensenleven geleden eens gedaan toen ik nog in vaste dienst was en zo’n instelling een paar economisch journalisten had gevraagd een stukje te schrijven over het toen nog gloednieuwe fenomeen Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.

Mijn stukje kreeg ik terug met vinnige rode cirkels om begrippen als ‘mooi weer spelen’ en ‘windowdressing’. Die kwalificaties hadden geen positieve grondtoon, terwijl de bundel voor ‘stakeholders’ bestemd was. Kennelijk zijn ‘stakeholders’ van suiker. Geef mij maar gewone lezers, concludeerde ik.)

Het waren randverschijnselen omdat bijna alle journalisten in vaste dienst waren, of als zelfstandige prima van hun journalistieke werk konden leven.

Ze konden dit soort dingen erbij doen omdat ze die leuk vonden, of nuttig, of goed voor hun netwerk, of omdat ze wél de ruimte kregen om onverschrokken en radicaal onafhankelijk de vragen te stellen die ertoe doen, en om de dingen op te schrijven zoals ze zijn.

Inmiddels is de journalistiek fundamenteel anders georganiseerd.

Verschuiving naar freelance

Er is al jaren een grote verschuiving gaande van vast naar freelance. Een toenemend aantal omroepen, magazines, kranten, onlineplatformen werkt met een krimpende vaste kern en een uitdijende schil freelancers. Die laatsten doen werk dat voorheen in vaste dienst werd gedaan, tegen substantieel lagere bedragen.

Dat biedt ontegenzeggelijk voordelen, die als je alle hoogdravende argumenten afpelt, van ‘kunnen beschikken over een rijk aanbod van stemmen’ tot ‘kunnen mee-ademen met de uitdagingen op de lezers- en kijkersmarkt’, neerkomen op: het is een stuk goedkoper.

En dat is noodzaak in tijden van weglopende adverteerders en publiek dat niet meer vanzelfsprekend wil betalen voor radicaal onafhankelijke en onverschrokken journalistiek.

Freelancers hebben mooie winkels opgetuigd, in het ideale geval met een zorgvuldig samengestelde portefeuille van interessante klussen en leuke opdrachtgevers voor wie ze graag werken en bij wie ze onverschrokken hun radicale onafhankelijkheid kunnen uitleven.

Of ze zijn gespecialiseerde collectieven gaan vormen die hun expertise op diverse platformen kunnen etaleren, of vanuit hun eigen onlineplatform rechtstreeks kunnen uitserveren, en zo een veel breder publiek kunnen bereiken dan als ze aan slechts één titel of omroep gebonden zouden zijn.

In het minder ideale geval zijn freelancers sluitpost op de begroting, haalt een deel amper het minimumloon en draait een substantieel deel uit noodzaak een gemengde praktijk: journalistiek uit liefde voor het vak, en commerciële klussen om die liefde voor journalistiek te kunnen financieren.

En wanneer de gemengde praktijk geen randverschijnsel meer is, maar het dominante verdienmodel is geworden van een groeiend aantal journalisten die werken voor vooraanstaande mediabedrijven, dan moeten we daar indringender over praten dan we tot dusver deden.

Omdat het zot is dat een industrie kennelijk alleen kan draaien als ze een deel van de freelance-arbeid waar ze gebruik van maakt laat subsidiëren door niet-journalistieke opdrachtgevers

En omdat de vermenging van functies invloed heeft op de mate van onverschrokkenheid en radicale onafhankelijkheid waarmee journalisten kunnen opereren.

Gemengde praktijk

Vooropgesteld, de gemengde praktijk kan een zegen zijn. Voor de ingehuurde journalisten én voor de bedrijven, belangenclubs of overheden die ze inhuren.

Wanneer de inhurende partij ballen heeft en slim is, en bewust een journalist inhuurt om zijn eigen achterban scherp te houden, om ze te confronteren met vervelende vragen die wel gesteld moeten worden, om ze een spiegel voor te houden, om juist wél de kritische noten te kraken in stukjes voor ‘stakeholders’.

Ontzettend leuk om te doen, er is geen rolverwarring, en je krijgt er nog fatsoenlijk voor betaald ook.

Helaas hebben niet alle inhurende partijen ballen, en helaas hebben ze vaak wel veel ‘stakeholders’.

Helaas zijn lang niet alle gemengde praktijken zo sexy en zo radicaal onafhankelijk als net geschetst.

Niemand kijkt er meer van op als jonge journalisten de ene helft van de tijd promotionele berichten, die aangenaam zijn voor de ‘stakeholders’, schrijven voor de website van een verzekeraar of van een brancheorganisatie voor bouwmaterialen, en de andere helft van de tijd serieuze journalistiek bedrijven, over gezondheid bijvoorbeeld of over de bouw, want daar weten ze door hun andere werk een hoop van.

In het ideale geval zijn ze zeer bedreven in het op- en afzetten van verschillende petten. In het scheiden van belangen. In het weten wanneer er wel doorgevraagd kan worden en wanneer niet.

In het ideale geval weten ze wanneer je moet opschrijven dat een nieuwe bouwtechniek het ei van Columbus is, en wanneer je kunt opschrijven dat het hier een dure hype betreft die je gerust kunt laten overwaaien.

In het ideale geval zijn ze er heus niet minder onverschrokken en radicaal onafhankelijk door als het erop aankomt, en zijn er geen gevolgen voor de journalistiek.

In het ideale geval is er niets aan de hand.

De website voor journalistiek Villamedia staat al jaren vol met dit alledaagse dilemma. Er heeft een tijd een serie over gelopen. Daarin stonden hallucinante voorbeelden van freelancers die naast journalistiek werk ook brochureteksten schrijven over flauwekulmiddeltjes die allerlei aandoeningen zouden genezen – zelf geloven ze er niet in, maar het betaalt.

Er stonden ook mensen in die gesponsorde content schrijven (zodra inhoud ‘content’ gaat heten, moet je uitkijken) en dat met droge ogen ook ‘journalistiek’ noemen.

Nee, in de dorre werkelijkheid heeft de doorsnee-gemengde praktijk zelden veel op met onverschrokkenheid en radicale onafhankelijkheid.

Overigens las ik, laat ik dat er nadrukkelijk bij zeggen voordat m’n mailbox weer volloopt met boze mensen, ook over professionals die er uitstekend in slagen om hun portefeuilles journalistiek te houden, om altijd de onafhankelijkheid af te dwingen.

Ik ken er genoeg die hun opdrachtgevers slim combineren, altijd het initiatief houden en gewetensvol en professioneel te werk gaan.

Om de verloedering die niettemin langs deze weg erin kan sluipen wordt meestal een beetje heen gedraaid. Ik herinner me een debatavond over dit thema een paar jaar geleden, je leest er weleens iets waarschuwends over, op redactievloeren, waar wél scherp geschreven wordt over de schijn van belangenverstrengeling bij Eerste Kamerleden die het woord voeren over onderwerpen die hun privébelangen raken, is het geen onderwerp van permanente discussie.

Terwijl het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het dominante journalistieke arbeidsmodel wordt in de toekomst: freelancen in een gemengde praktijk.

Dat heeft gevolgen. Want hoe goed een mens de zaken ook kan scheiden, het continue op- en afzetten van commerciële petten tast het belangrijkste kapitaal van de journalistiek aan: de onafhankelijkheid. En wanneer de onafhankelijkheid in het geding is, is het vrije spreken en schrijven in het geding.

Bij persvrijheid zijn we geneigd te denken aan bedreigingen van buitenaf, aan overheden die journalisten afluisteren of de toegang ontzeggen, aan de sleepwet, aan verslaggevers in Turkse gevangeniscellen, aan Hongaarse collega’s die niet kunnen schrijven wat ze willen, aan politici  – gewoon hier in Nederland – die met continue verdachtmakingen het wantrouwen in de pers voeden, aan de enorme gretigheid die de Nederlandse overheid aan de dag legt om het zogenaamde ‘nepnieuws’ te bestrijden, volgens mij iets té gretig – we moeten als journalistiek kritische en zo groot mogelijke distantie betrachten wanneer de overheid zich zorgen gaat maken over de informatievoorziening.

Aantasting van binnenuit

Maar de radicale onafhankelijkheid en de onverschrokkenheid kunnen ook van binnenuit worden aangetast.

Als wij zelf het vak niet serieus genoeg meer nemen, als we nonchalant worden, als er niet meer genoeg voor betaald wordt, als elke vorm van informatieoverdracht onder de noemer ‘journalistiek’ wordt geschaard.

We hebben een standaard hoog te houden in Nederland, we genieten hier een hoge mate van persvrijheid en van pluriformiteit, we staan in een lange traditie van mooie, goed gemaakte, fantastische, onthullende, onafhankelijke journalistiek; vorige maand zijn er wederom stapels Tegels uitgereikt voor topjournalistiek. We hebben dus iets te verliezen. We zijn het aan onze stand verplicht om de radicale onafhankelijkheid en de onverschrokkenheid hoog te houden.

De formele reacties, van journalistieke organisaties én van journalisten zelf, op zorgen over onderbetaling en gemengde praktijken, laten zich tot dusver samenvatten als: het is niet anders, zo gaan die dingen nu eenmaal.

Het ís dan ook een vervelend onderwerp.

Het is een vervelend onderwerp omdat journalistieke werkgevers bereid moeten zijn om het gesprek aan te gaan over het feit dat op veel plekken in de journalistiek te weinig betaald wordt, dat de bereidheid om te betalen voor onverschrokken, radicaal onafhankelijke journalistiek niet altijd even vanzelfsprekend is. En dat daarmee de deur wordt opengezet voor verloedering.

Het is een vervelend onderwerp omdat collega’s in vaste dienst dan moeten toegeven dat ze wel radicaal onafhankelijke items maken over de arbeidsomstandigheden bij de posterijen en bij de maaltijdbezorging, maar dat conflicten dichter bij huis over de magere betaling van fotojournalisten of van freelancers in de regio, die omgerekend soms onder het wettelijk minimumloon zitten te werken, een stuk omfloerster in de publiciteit komen.

Het is een vervelend onderwerp omdat wij freelancers ons veel indringender moeten afvragen: wanneer drijf je nog een serieus te nemen gemengde praktijk en wanneer niet meer, wanneer ben je de verkeerde belangen aan het dienen, en wanneer moet je het bordje journalist bij je deur weghalen en er tekstschrijver of contentontwikkelaar van maken?

Het is een vervelend onderwerp omdat we op veel fundamenteler niveau met elkaar in gesprek moeten over de gevolgen van een systeem dat sluipenderwijs is ontstaan, en over een verdienmodel dat niet houdbaar kán zijn.

Het is een vervelend onderwerp, maar het is een belangrijk onderwerp. En we moeten het gesprek onverschrokken aangaan. Voor het behoud van de radicale onafhankelijkheid.’

Sheila Sitalsing is freelance journalist en (Volkskrant-)columnist.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden