Opinie Moreel leiderschap

Politieke klasse, loop niet blind achter gele hesjes aan

De elite moet niet elke oprisping van volks ongenoegen een podium geven, maar zich bezinnen op haar eigen morele rol, betoogt Joshua Livestro.

Beeld Rhonald Blommestijn

‘Sanering media. Grenzen dicht. Wet voor behoud van de Nederlandse cultuur en de joods-christelijke traditie. Ontslag Femke Halsema. Baas in eigen land dus weg uit de greep van Brussel. Zwaardere straffen en zo nodig herinvoering van de doodstraf.’ Met deze wensenlijst gingen kleine clubjes activisten de afgelopen weken in verschillende steden in ons land de straat op. Standpunten en deelnemers waren overduidelijk afkomstig uit uiterst rechtse hoek – behalve PVV’ers waren ook activisten van extreem-rechtse organisaties als Pegida, Voorpost, Identitair Verzet en de Nederlandse Volksunie aanwezig.

Het leken irrelevante bijeenkomsten van politiek marginale figuren. Toch hebt u de beelden van de demonstraties vrijwel zeker meegekregen. Het gaat hier namelijk om de Nederlandse gele hesjes. Dezelfde gele hesjes waarover premier Rutte verklaarde dat we die ‘tot op zekere hoogte allemaal dragen’. Waarover CDA-leider Buma bepleitte dat die ‘invloed zouden moeten hebben op het klimaatbeleid’. En waarover kranten en televisie dagenlang zonder een spoor van relativering berichtten, alsof het legitieme opvattingen van relevante maatschappelijke actoren betroffen.

Het is helaas geen incident. Sinds de dubbele aardbeving van 2016 (Trump, Brexit) lijken politiek en media in de greep van een soort hyperdemocratisch sentiment. In zekere zin was dat al zo sinds de moord op Fortuyn. Als journalist en politiek adviseur heb ik destijds ook meegezocht naar manieren om het electorale ongenoegen te kanaliseren en de opkomende politieke vertolkers ervan te socialiseren (tevergeefs, zeg ik erbij). Sinds 2016 lijkt van kanaliseren of socialiseren geen sprake meer. Elke oprisping van ongenoegen uitgesproken door of namens ‘het volk’ wordt nu kritiekloos breed uitgemeten. Voorheen zou men extreme opvattingen als die van de Nederlandse gele hesjes wellicht nog uit het publieke debat hebben geweerd, of ze in elk geval van heldere duiding hebben voorzien. Maar de schok van de gebeurtenissen in Amerika en het Verenigd Koninkrijk lijkt dit kritisch vermogen nadrukkelijk te hebben aangetast. Men had ‘het verhaal’ gemist, ‘het ongenoegen’ onderschat, en dat wilde men zich niet nog een keer laten overkomen.

Cultuurmarxisme

Het enkele feit dat een willekeurig idee als uiting van de volkswil wordt gepresenteerd, lijkt nu genoeg reden om het een prominent platform te verschaffen. Dus worden we al geruime tijd geconfronteerd met kritiekloze items over complottheoretische begrippen als ‘cultuurmarxisme’ en ‘omvolking’. Landelijke dagbladen produceerden artikelen waarin soms zelfs aan racisme grenzende opvattingen (over vermeende onveranderlijke IQ-verschillen tussen bevolkingsgroepen bijvoorbeeld) tegenover posities uit de politieke hoofdstroom worden geplaatst. Daarmee de suggestie wekkend dat het moreel equivalente opvattingen betrof.

Het is overigens niet alleen een mediafenomeen. In politiek Den Haag lijkt de wil om zich te verzetten tegen extreme opvattingen eveneens nadrukkelijk uitgehold. Dit gebrek aan weerbaarheid uit zich om te beginnen in een apathische reactie op uitspraken die voorheen nog tot geschokt weerwoord zouden hebben geleid. Zoals bijvoorbeeld tijdens de ­Algemene Beschouwingen, toen FvD-leider Thierry Baudet de theorie lanceerde dat onze politieke leiders zouden worden bespeeld door de ‘werkelijke machthebber’ George Soros – een nadrukkelijke echo van de beruchte antisemitische beeldspraak van de ‘onbetrouwbare rijke Jood’ die dankzij zijn kapitaal de politieke machthebbers aan een touwtje heeft. Geen van de aanwezige politici nam de moeite tegen Baudet in te gaan.

Toen CIDI-directeur Hanna Luden kort daarna naar aanleiding van een in deze krant verschenen artikel Baudet en zijn partij opriep ‘ondubbelzinnig’ afstand te nemen van ‘misselijkmakend antisemitisme’ binnen de eigen aanhang en daarnaast ‘de eigen retoriek radicaal te wijzigen’, vond geen van de gevestigde partijen het nodig zich bij deze oproep aan te sluiten.

Maar het is meer dan apathie. Sommige politici lijken bereid om onwettige en zelfs gewelddadige uitingen goed te praten, zolang het maar om uitingen van ‘volks ongenoegen’ gaat. Zie bijvoorbeeld VVD-voorman Klaas Dijkhoff, die na de rellen in steden als Den Bosch en Rotterdam verklaarde dat niet de racistische slogans roepende pro-Piet-hooligans, maar de zich keurig aan de wet houdende anti-Zwarte Piet-demonstranten voortaan bij Sinterklaasintochten geweerd zouden moeten worden.

Zie ook de reactie van kabinetsleden, van staatssecretaris Raymond Knops tot premier Rutte, op het optreden van de zogeheten ‘blokkeerfriezen’. De bewindslieden veroordeelden niet de illegale blokkeeractie maar het voornemen van de anti-Zwarte Piet-activisten om te gaan demonstreren. Het pleidooi van Buma om de gele hesjes invloed te geven in het klimaatdebat zonder zich een moment te verdiepen in de extreme voorstellen van de organisatoren past hier in feite ook bij. De staat buigt bij hem al bij voorbaat voor de straat.

Weerbaarheid

Als dit overzicht iets duidelijk maakt, dan is het dat er iets schort aan de weerbaarheid van de ­politieke klasse in onze democratische rechtsstaat. Een oplossing hiervoor vereist om te beginnen een verandering in perspectief. Voorzover er in onze samenleving al een politiek debat bestaat over de eigen positie van de politieke klasse binnen ons democratisch bestel, gaat dat vooral over procedurele zaken. Het rapport van de commissie-Remkes dat afgelopen donderdag werd gepresenteerd, is daar een schoolvoorbeeld van. Voor het geconstateerde gebrekkige functioneren van onze democratische rechtsstaat worden allerlei oplossingen aangedragen die één ding gemeen hebben: ze gaan over de structuur en de regels van het bestel. Wetten toetsen aan de grondwet via een constitutioneel hof, een gekozen formateur, een bindend correctief referendum, een nieuw kiesstelsel: het zijn allemaal interessante voorstellen om de structuur van ons stelsel te vernieuwen en wellicht zelfs te verbeteren. Ze doen echter niets om het hierboven geconstateerde probleem van een gebrek aan weerbaarheid bij de politieke klasse te verhelpen. Dat is namelijk niet procedureel, maar cultureel of wellicht zelfs moreel van aard.

Om dit te begrijpen moeten we een uitstap maken naar de uit de klassieke Oudheid stammende theorie over het ideale staatsbestel. De oude Grieken dachten namelijk heel anders over de voorwaarden voor een optimale regimevorm dan wij modernen. Voor hen waren de procedures die het functioneren van een regime regelen ondergeschikt aan twee andere zaken. De ene was een besef van de waarde van moraliteit. De andere was een gezonde balans tussen volk en regerende klasse.

Dat moreel besef moeten we niet verkeerd begrijpen. Het was geen obsessie met regeltjes voor het voorkomen van deze of gene vorm van zondig gedrag. We zouden de oude Grieken onmogelijk kunnen beschuldigen van overdreven preutsheid of afkeer van de goede dingen des levens. Het was ook niet gebaseerd op een automatisch respect voor de waardigheid van elk menselijk individu. Vrouwen, slaven en vreemdelingen hadden zo’n lage status dat ze in de ogen van zelfs de meest moreel rechtschapen Griek nauwelijks voor mens werden aangezien. Op dat punt is de klassieke Griekse beschaving zonder twijfel moreel ondergeschikt aan de onze.

Gemengd regime

De kern van het klassieke moreel besef werd gevormd door een gehechtheid aan bepaalde kwaliteiten of deugden waarin men het zogenoemde moreel kapitaal van de eigen gemeenschap bevestigd zag. De vier klassieke kerndeugden waren moed, gematigdheid, rechtvaardigheid en praktische redelijkheid. Zoals de filosoof Plato beschreef in zijn politieke handboek, de Politeia, waren mensen en gemeenschappen die deze kwaliteiten bezaten ‘goed geordend’ – in morele zin.

Om ook politiek goed geordend te zijn, moest nog aan een tweede voorwaarde worden voldaan. Anders dan wij modernen waren de oude Grieken geneigd om de samenleving in standen op te delen. Men deelde de moderne fascinatie met het ‘volk’, maar plaatste er nog een tweede stand naast of zelfs tegenover: de bestuurlijke klasse. Aan het debat over de juiste verhouding tussen deze standen, en de vraag of geboorte of juist talent iemand geschikt maakt voor lidmaatschap van de bestuurlijke klasse besteedde men vervolgens buitengewoon veel tijd.

Als ideaal gold daarbij de staatsvorm waarbij de macht van de bestuurlijke klasse in evenwicht was met die van het volk: een gemengd regime. Maar dat was dus niet alleen een kwestie van juiste procedures. Volk én bestuurders moesten ook voldoende moreel kapitaal bezitten. Als dat ontbrak, was verval van het regime onvermijdelijk. Een regime waarbij de aristocratie de boventoon vormde zou dan tot een oligarchie verworden (een regimevorm die wij modernen vooral kennen uit de post-Sovjetstaten, Rusland voorop). Een democratie zonder morele ankers kon verworden tot een ochlocratie – de heerschappij van de onderbuik. Die laatste regimevorm zou uiteindelijk leiden tot de opkomst van de demagoog, ‘de leider van de meute’, wiens gehele programma bestond uit het naar de mond praten van het volk (wij zouden zo’n politicus een populist noemen).

Nieuw zelfbewustzijn

Wij modernen zien onszelf graag als de democratische erfopvolgers van de oude Grieken. Maar die zouden, als ze ons systeem konden bestuderen, verbaasd zijn over de nadruk die wij leggen op procedures en de complete veront­achtzaming van de morele onderbouwing. Wat hun vooral zou bevreemden, is het ontbreken bij onze politieke klasse van een besef van het belang van de eigen rol binnen onze democratische rechtsorde. Er is op dit punt dus een nieuw zelfbewustzijn nodig bij de politieke klasse.

Dit nieuw zelfbewustzijn is meer dan het spreken van de ‘taal van democratie en recht’ waar Herman Tjeenk Willink deze week over sprak bij de presentatie van zijn boek Groter denken, kleiner doen. Het gaat ook, of vooral, om een herwaardering van bepaalde essentiële politieke kwaliteiten. De moed om tegen de volkswil in te durven gaan als die de rechtsstaat of goed fatsoen ondermijnt. Een strijdbaar soort gematigdheid, die actief stelling neemt tegen extreme opvattingen en die complottheorieën gewoon als zodanig durft te omschrijven. Een rechtvaardigheidsgevoel dat sterker is dan de wil tot scoren bij ‘het volk’. En een praktische redelijkheid die begrijpt dat een samenleving bestaat bij de gratie van wederzijdse bereidheid tot compromissen.

Verbinding

Een dergelijk hernieuwd zelfbewustzijn van de politieke klasse zou een begin van herstel zijn. Maar de tweede les van de oude Grieken mag niet vergeten worden: de politieke klasse kan het niet alleen. Voor een gezonde gemeenschap is een goede balans nodig tussen politieke klasse en volk. Dat betekent in praktijk verbinding zoeken met het deel van het electoraat dat dezelfde kwaliteiten respecteert die ook van goede bestuurders worden gevraagd: het brede, redelijke midden.

Dat brede midden heeft soms andere prioriteiten dan de politieke klasse. Bij deze kiezers scoren zorg en onderwijs al jaren hoger dan alle andere politieke zorgen. Dat is ook logisch: het zijn de onderwerpen waarmee ze op dagelijkse basis het meest worstelen. Toch staan ze wel degelijk open voor zaken die mede het dagelijks werk van de politieke klasse bepalen, zaken als Europese samenwerking, verduurzaming van de economie en het bouwen aan een gelijkwaardiger samenleving. De verbinding tussen dit deel van ‘het volk’ en de politieke klasse bestaat dus al. Het wachten is op politici die deze band opnieuw centraal stellen.

Het is daarbij ook veelzeggend dat peilingen al decennia lang aangeven dat deze kiezers zorgen hebben over zaken als normvervaging en verontachtzaming van de publieke moraal. Het geeft aan dat ze openstaan voor leiders die vanuit heldere morele overwegingen hun standpunten bepalen en ook stelling durven nemen tegen extremisme van elke soort. Sterker nog: ze verlangen er wellicht zelfs naar.

Joshua Livestro is hoofdredacteur van Jalta.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.