column peter middendorp

Peter Middendorp trof een aantal bijzondere passanten en trok zijn conclusies

Ik weet eigenlijk niet hoe het staat met ons geloof in oorzaak en gevolg, maar ik liep laatst in elk geval met mijn oppashond over straat. Een oppashond is een hond waar je op moet passen, ik zeg het er maar even bij, omdat een moeder op het schoolplein, die kennelijk het woord ‘oppashond’ uit mijn mond had opgevangen, mij onlangs in het voorbijgaan toesiste dat ik zélf op mijn kinderen moest passen.

Het is een jonge hond, maar wel groot en zwaar, die nog moet leren dat hij zijn enthousiasme niet over iedere tegemoetkomende voetganger uit mag werpen. Want dat kunnen ook kleine kinderen zijn, of kwetsbare ouderen. Daarom riep ik ook zo luid en duidelijk, toen ik merkte dat hij het weer van plan was: ‘Potverdómme, dénk erom!’

De voetganger, een man van minstens twee bij twee, ging voor me staan. Misschien had hij net zijn hand naar het dier uitgestoken, ik wist verder ook niet hoe het misverstand in de wereld was gekomen, maar hij hief zijn kin en zei, twee keer kort na elkaar: ‘Had je dat tegen mij?’

Een paar uur later draaiden de klanten in de bakkerij hun misprijzende gezichten vanaf de balie naar de welkomstmat bijna synchroon naar me toe. Ik had ‘goedemiddag’ geroepen, dat deed ik altijd, ik kende ze hier, en zij mij, en het was eigenlijk meer iets dat door hen werd afgedwongen dan dat ik zelf nou zo’n prijs stelde op dat geroep iedere keer. Maar nu zag ik dat er een nieuwe medewerker achter de balie stond, een vrouw, en dat ze had gehuild, hevig en lang, zo te zien, waarschijnlijk tot ik was binnengevallen.

Ik bracht het domme brood naar huis en ging mijn dochter naar turnen brengen. Opgewekt door de omstandigheden kreeg ik onderweg een herinnering terug aan de herkeuring voor militaire dienst. Als te herkeuren, werkschuwe schooiers werden wij op een bankje apart gehouden van de rest. Ik stootte de jongen naast me aan. ‘Probeer jij de boel ook te flessen?’ ‘Nee’, zei hij. ‘Ik heb een ongeluk gehad, ik ben halfzijdig verlamd.’

In de kleedkamer van de turnhal was het geweldig druk, maar uit het gewemel maakte zich een jongetje los. Hij kwam vlak voor me staan en stak, voordat ik hem een glimlach had kunnen gunnen, zijn tong naar me uit. Tien minuten later trok hij aan mijn broekspijp en stak opnieuw zijn tong naar me uit, uitgebreider nog dan de eerste keer.

De kleedkamer was nog leeg toen ik mijn dochter kwam halen. Alleen het jongetje zat er al, prinsheerlijk bij zijn moeder op schoot, en hij stak, nu voor de derde en meest pregnante, hartstochtelijke keer in korte tijd, zijn tong naar me uit. ‘Ja, sorry’, zei de moeder, ‘maar dit ligt toch echt aan…’ Ze keek op. ‘Ja’, zei ik, ‘ik weet het.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.