Peter Middendorp heeft ook deze week niets te vertellen, maar doet het toch

Foto de Volkskrant

Ik weet niet of ik me ervoor moet schamen of er stiekem ook een beetje trots op zou moeten zijn, maar de waarheid is dat ik ook deze week weer niets te vertellen heb en dat ik dat, om even met schrijver Herman Brusselmans te spreken, ook deze week weer in exact vijfhonderd woorden zal doen.

Vijfhonderd woorden, een aantal dat alleen wordt overschreden als ik door gebrek aan inspiratie op het laatste moment een noodgreep naar de inhoud moet doen. Over niets. Elke week. In meestal acht alinea’s, die uit niet meer dan zeventig woorden mogen bestaan, elk met een eigen, topische openingszin, twee of drie voorbeelden of uitweidingen, en een laatste zin die bij voorkeur tegelijkertijd omkeert en vooruitwijst.

Dat is je eer, vind ik, dat het telkens precies klopt. Al blijft er met dit aantal woorden, zeker als het bij gelegenheid korte zijn, hieronder altijd een lege ruimte open, alsof ik eigenlijk nog een alinea moet of mijn broek te hoog heb opgetrokken.

Lang schrijven lijkt moeilijker dan kort, zoals over iets schrijven moeilijker lijkt dan over niets. De paradoxen zijn bekend en zullen dat ook wel altijd blijven, wat ergens vreemd is, omdat je zou denken dat de grootste schijn van een paradox er na een tijdje toch wel af zou moeten zijn.

Ik herinner me een sympathieke uitspraak van een journalist die een roman had geschreven. ‘Ik dacht dat fictie veel makkelijker was’, zei hij, ‘want je hoefde niets te doen, je kon het zelf verzinnen.’ Hij keek om zich heen, bleek en schichtig, een man die zelf had gezien hoeveel werk er achter de inhoud lag, en zei: ‘Ik doe het nooit weer.’

Als ik eenmaal niets heb om over te schrijven, maak ik daar graag ritmische zinnen van. Lettergrepen tellen. Zorgen dat de nadrukjes op de goede lettergrepen staan. Gildewerk; rederijkers. Rítmische zínnen verhúllen de léegte van próza dat nérgens op sláat. Als je dat vijfhonderd woorden volhoudt, wekt je tekst vanzelf de indruk dat ie te pruimen is, al moet je de lezers achteraf niet vragen waarom.

Hoewel, wat wel zo is, zit ik ineens te denken, als je echt over niets schrijft, moet je dat niet benoemen, want zodra je dat hebt gedaan, is niets meteen zichzelf niet meer, maar al een onderwerp geworden, als een sprookjeskikker die verandert in iets.

Hè, dat ik daar nu nog achter moet komen, in deze cruciale fase van het creatieve proces. Ik dacht dat ik de trap al had gehad maar ik moest kennelijk nog een tree. Nou ja. Nu is er niets meer aan te doen, ik zit al in de voorlaatste alinea, opnieuw beginnen is geen optie meer. Anders ben ik een lange afstandszwemmer die op driekwart van Het Kanaal bij zichzelf zegt: ‘Ik ben moe, ik ga terug.’

Hopelijk kan ik het een klein beetje goed maken met deze elegante slotzin, om zo te zeggen, als een zeer korte groet aan schrijver A.L. Snijders, die op lichtvoetige wijze alles met alles samenbrengt. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.