Column Sylvia Witteman

Peter de Grote had gelijk: het is een apart volk, Nederlanders

In Petersburg liet ik de Hermitage links liggen. Ik had hem al eens gezien, toen het daar nog Leningrad heette; een overdaad aan schilderijen die me moedeloos maakte. ‘Gaan jullie maar gezellig met papa’, riep ik tegen mijn kinderen en maakte me uit de voeten naar de ‘Kunstkamera’, nóg zo’n barokke paleistaart, maar dan aan de andere kant van de Neva, en zónder schilderijen. Daar bewaarde Peter de Grote zijn ‘monstertjes’; misvormde embryo’s op sterk water. Die wou ik wel weer eens zien.

Ik was de enige niet. Ik sloot aan in een lange rij, tussen twee jonge vrouwen die op urgente toon een conversatie voerden in schor, watervlug Spaans, een groep Chinezen die de slappe lach hadden in het Chinees, en een Russische vrouw die haar man op scheepstoetersterkte voorlas uit een reisgids.

Tussen dit babylonisch geweld dacht ik aan tsaar Peter de Grote. Hij was dol op Nederland, en kwam er vaak om nuttige ambachten te leren, zoals schepen timmeren, kiezen trekken en aderlaten. Hij vulde de Russische taal aan met Nederlandse woorden als ‘brandspojt’ ‘botsman’ en ‘wiempel’. Tussen de bedrijven door stichtte hij bovendien, geinspireerd door de Amsterdamse straten en grachten, Sint Petersburg. Ja, Peter zag bepaald iets in ons land.

‘Ik doe het híer wel!’ hoorde ik een vrolijke kinderstem in het Nederlands tsjilpen. Uit de rij, een paar meter vóór me, maakte zich een klein, blond meisje los van een jaar of 4. Doodgemoedereerd trok ze haar onderbroekje uit, sjorde haar jurkje omhoog en hurkte met blote, witte billetjes boven de stoep.

De aanvankelijke vertedering onder de toeschouwers maakte al gauw plaats voor verbazing toen het kind zonder omhaal een grote, glanzende drol produceerde, zomaar op de stoep van dat paleis. ‘Klaar!’ jubelde het meisje. Haar moeder, een wat plompe, zeer Hollandse blondine met een baby in een draagzak, riep ‘Goed zo!’ trok kalm een zakdoekje tevoorschijn, greep daarmee de drol en deponeerde het geheel in een vuilnisbak.

De rij keek met open mond toe. Moest ik me nu schamen voor mijn landgenoten? Maar waarom eigenlijk? Alles was toch weer netjes opgeruimd?

Binnen, in Peters rariteitenkabinet, kwam ik het meisje even later weer tegen. Opgewekt rende ze heen en weer tussen de glazen potten met gruwelijk misvormde babylijkjes. ‘Deze heeft twee hoofdjes he mama?’ joelde ze. ‘En kijk, deze heeft geen beentjes! En deze lijkt op een visje! En deze...’ En die moeder maar knikken, mild glimlachend, boven het hoofdje van haar eigen slapende baby.

Ja, Peter de grote had wel gelijk. Het is een apart volk, Nederlanders.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.