Parlement is tandeloos, toch jammer

Het Catshuis en de coalitiepartijen hebben de echte macht.

Hulde aan onze volksvertegenwoordiging. Zij nam het besluit eens goed in de spiegel te kijken, onderling het gesprek aan te gaan en antwoorden te zoeken op de kritiek die haar in een onafgebroken stroom bereikt.

Visie
De Kamer liet het trouwens niet bij ‘zelfreflectie’. Ze nodigde ook oud-politici, journalisten, wetenschappers en vele anderen uit om hun visie te komen geven. De verslagen van alle gesprekken zijn opgenomen in het rapport Vertrouwen en zelfvertrouwen, waarover vanmiddag in de oude vergaderzaal van de Tweede Kamer wordt gediscussieerd.

Het lezenswaardige en rijk gevulde rapport geeft een aantal aanbevelingen om tot een beter functionerende Kamer te komen. Men wil zowel de kracht van het collectief als dat van het individuele Kamerlid versterken, onder meer door betere introductieprogramma’s en ondersteuning, en roept de Kamerleden op selectiever om te gaan met spoeddebatten, moties en vragen.

Achteloos
Opmerkelijk is echter dat het rapport in zijn conclusies vrij achteloos voorbijgaat aan een – op nogal wat bladzijden doorklinkend – fundamenteel kritiekpunt: in de Kamer vindt het echte debat niet plaats. Verspreid door het rapport wordt opgemerkt hoeveel waarde men hecht aan krachtige en fundamentele parlementaire debatten.

Daarbij doelt men op debatten die over belangrijke maatschappelijke vraagstukken gaan, eventueel door de Kamer zelf geagendeerd, die niet in haast behoeven te worden gevoerd (ruim de tijd voor de tweede termijn), die door alle deelnemers goed zijn voorbereid en, last but not least, debatten waarbij de Kamerleden ook echt naar elkaars argumenten luisteren.

Aanzien
Dergelijke debatten, zo luidt de overtuiging, kunnen het aanzien van de Kamer aanzienlijk verbeteren. Wezenlijke zaken behoren in een goede democratie immers in de volle openbaarheid van de verzamelde volksvertegenwoordiging ter tafel te komen. Maar in de aanbevelingen van het zelfreflectie-rapport blijft het ijzig stil over de kwaliteit en inhoud van de debatten.

Is dat verwonderlijk? Helemaal niet. Nederland heeft een eeuwenoude traditie van schikken en plooien in gerieflijke beslotenheid van achterkamers. Het past niet bij de Nederlandse politieke cultuur om publiekelijk de degens te kruisen. In de tijd waarin het parlementair stelsel vorm kreeg in ons land, in het begin en het midden van de 19de eeuw, was men overigens nog hoopvol gestemd over de mogelijkheden van het parlementaire debat.

Wilsvorming
Men ging ervan uit dat het – frank en vrij – uitwisselen en afwegen van standpunten als vanzelf zou leiden tot ‘gemeenschappelijke wilsvorming’ en daarmee tot de beste oplossing voor het algemeen belang. Maar ook toen al ondervond men dat de praktijk minder ideaal uitpakte.

Niet altijd kwam consensus tot stand, soms bleven verschillen van inzicht bestaan.
Vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw hebben twee belangrijke ontwikkelingen in het Nederlandse politieke bestel ertoe bijgedragen dat het vrije debat in de Tweede Kamer steeds verder aan banden kwam te liggen.

In de eerste plaats het ontstaan van politieke partijen vanaf omstreeks 1880. Volksvertegenwoordigers kwamen de Kamer steeds vaker binnen via een partij en moesten bij hun optreden sterk rekening houden met de standpunten van die partij. Fractiediscipline beperkte de handelingsvrijheid.

Geen ruimte
De tweede ontwikkeling betrof de opkomst van – tijdens kabinetsformaties gesloten – regeerakkoorden, vanaf omstreeks 1960. Die akkoorden gaven de coalitiefracties weliswaar veel invloed op het voorgenomen kabinetsbeleid maar ontnamen hun elke ruimte om nog vrij over de ‘uitonderhandelde’ onderwerpen te debatteren.

Vandaag de dag is het Nederlandse volk geen getuige van de argumenten die politici wisselen bij wezenlijke maatschappelijke vraagstukken, geen getuige van het politieke gevecht dat daarbij hoort. Het actuele overleg over de economische crisis moge dit illustreren.

De uitwisseling van argumenten, het afwegen van oplossingen en het (moeizaam) bereiken van een compromis vinden achter gesloten deuren plaats. In het Torentje en in het Catshuis.

Buitenspel
Het overgrote deel van de volksvertegenwoordiging staat buitenspel. Aan de onderhandelingstafel zitten slechts drie Kamerleden (Van Geel, Hamer en Slob). En we weten allemaal: is het eindresultaat eenmaal bereikt, dan zal in de Kamer echt geen ‘wezenlijk en belangrijk’ debat meer plaatsvinden.

Daar is slechts nog ruimte voor ritueel mopperen (de oppositie zegt dat het pakket maatregelen niet deugt) en voor ritueel legitimeren (de coalitiefracties gaan akkoord).
Wim Kok zei tijdens de zelfreflectiegesprekken dat ‘vechten tegen regeerakkoorden is als vechten tegen windmolens’. De oud-premier sprak wijze woorden. Ons politieke systeem is langzaam maar zeker toegegroeid naar een uitgesproken monistisch bestel.

Werkkamers
Coalitiepartijen, nauw samenwerkend in kabinet en Kamer, bepalen de politiek. Debatten waarbij werkelijk iets op het spel staat, vinden plaats buiten ’s lands vergaderzaal, in de besloten werkkamers van de premier. Wordt het niet eens tijd dit feit onder ogen te zien?

Wellicht is het vanmiddag, tijdens het debat over het zelfreflectierapport, een goed moment om het dualisme definitief ten grave te dragen. Dit betekent overigens ook dat de oproep om terughoudend te zijn met spoeddebatten, moties en vragen zinloos is – en waarschijnlijk zelfs ongepast. Het zijn de enige middelen die de oppositie rest.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.