Column

Papierpluisjes; de sneeuw van Wolkers geheugen

Het toilet was de enige plek waar Jan Wolkers zich echt kon ontspannen.

null Beeld Annabel Miedema
Beeld Annabel Miedema

Gezeten op het kleinste kamertje van Pomona, Wolkers' hagelwitte woning op Texel, keek ik goed om mij heen. Aan de binnenkant van de wc-deur hing een poster van Dylan Thomas. Recht voor me, op de grijze tegels, twee A4'tjes met uitgetikte sonnetten: Shakespeare's twaalfde, over de schoonheid en de verschrikking van de vergankelijkheid, 'When I do count the clock that tells the time, / And see the brave day sunk in hideous night', en dat van P.C. Hooft over 'De gezwinde grijsaard, die op wakk're wieken staag / De dunne lucht doorsnijdt.'

De gezwinde grijsaard uit het sonnet van Hooft bezocht deze plek kennelijk geregeld. Op een ruw houten plankje, net boven ooghoogte van de troon, stond een rijtje boeken, waaruit een groot aantal pluizige wc-papiertjes boven de pagina's uitstak als de kuif op de kop van een kraanvogel. Er stond een boekje over Rembrandts jeugd in Leiden, een biografie van Edgar Allan Poe, en twee dikke brievenbundels van Raymond Chandler en Ernest Hemingway.

Wolkers is altijd een nachtbraker geweest. Hij droomde veel en schoot een paar keer per nacht wakker. Soms kreeg hij het, sunk in hideous night, benauwd. Zijn astma speelde op, zijn adem begon te piepen en te zagen. Dan was het toilet de enige plek waar hij zich echt kon ontspannen. Zittend met een boek op zijn knieën kreeg hij zijn adem terug. Als hem tijdens het lezen een regel of een passage opviel die hem trof, stopte hij een wc-papiertje tussen de betreffende pagina's.

Zo wemelen zijn boeken nog altijd van de Popla-velletjes, die gedurende de tijd half zijn vergaan. Overal dwarrelen papierpluisjes naar beneden van de planken, die aan de voet van de boekenkasten blijven liggen. Het is de sneeuw van zijn geheugen. In de bibliotheek van Wolkers, die zich door het hele huis bevindt, van de huiskamer, het kleine en het grote atelier tot in de torenkamer van Pomona, kan ik als Klein Duimpje zijn witte, donzige spoor volgen.

In een verborgen kast op het atelier, ooit ook een toilet, maar inmiddels opslagplaats voor zakken kleurstoffen, tubes verf van aquamarijn tot vermiljoenrood én een kleine verzameling boeken, vond ik het rijtje cahiers met anekdoten dat Hans van Straten in de jaren zeventig zelf uittikte en rondstuurde onder de titel De omgevallen boekenkast. Van Straten was één van Wolkers' jeugdvrienden. In het eerste cahier van Antiquariaat Quasimodo te Utrecht staat de opdracht: 'Voor Jan Wolkers, de man met de grootste oplagen. Van Hans van Straten, de man met de kleinste. Utrecht, 18 december 1977.'

In het vierde cahier zit een pleepapiertje tussen twee pagina's waarop Van Straten zich verbaast dat dichters in hun verzen, getuige de talloze winden die zij daarin laten waaien, zo weinig rekening houden met dubbelzinnigheid. Hij denkt niet alleen aan onbedoelde kakofonie, maar ook aan de regel van A. Roland Holst: Hij hunkerde naar haar en haatte haar. 'Volgens Jan Wolkers zou het de lijfspreuk van een kapper kunnen zijn.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden