Column Thomas van Luyn

Overwint liefde alles? Zelfs warme kak proberen beet te krijgen met plastic zakjes?

Beeld Aisha Zeijpveld

Ik ben een hondenman, geboren in het lichaam van iemand die een kat heeft. Dat ging zo: we gingen samenwonen, ik wou een hond, zij een kat. Het compromis werd een kat. Toen ik doorkreeg dat dit geen compromis was, was het te laat. Peppi (er was géén Kokki, zoals ik iedereen altijd moest uitleggen) piste de hele boel onder, sloeg andere katten in elkaar, zodat de buren ons haatten, en moest peperduur dieetvoer hebben vanwege zijn nieren. Toen ons huis onbewoonbaar dreigde te worden vanwege de pislucht, gaven we hem weg. Ik had toen in theorie mijn hondenwens kunnen vervullen, maar helaas was ik inmiddels volwassen geworden, en te verstandig om impulsief te wezen. Mijn prefrontale cortex waarschuwde me dat een hond niet mee kon op vakantie, dat de kinderen te klein waren om ’m uit te laten, dat we te veel trappen hadden. Dus kwam er een opvolgpoes. Ik wist: het zullen voortaan poezen zijn. Tenzij we ineens rijk en verward worden, en per abuis naar het platteland verhuizen.

Maar op het moment van schrijven ligt er een levensgrote hond onder mijn bureau te stinken. Ik kwam een vriendin tegen die naar de bioscoop wou maar niet kon, zei ze, omdat ze geen oppas voor haar hond kon krijgen. Het beest kon er schijnbaar niet tegen om alleen gelaten te worden. ‘Geef maar hier’, zei ik meteen. Want ook al heb ik nu al jaren katten, I identify as hondenman. Ik nam de riem. Er hingen plastic zakjes aan. O ja, zakjes. Kak. Nou ja, het was maar voor een middagje. En één drolletje, ach, had ik niet jarenlang kinderen schoongemaakt die tot aan hun nek in de drek zaten? Nou dan.

De hond was zijn bazinnetje onmiddellijk vergeten, ik was z’n nieuwe beste vriend. Trouw, my ass. Enthousiast trok hij mij aan zijn riem vooruit. Grote lieve ogen, stuiterende flaporen en met iedereen willen spelen. Het effect op mensen was spectaculair: elke norse kop opende in een lach. En ik maar tegen hem kletsen als een totale malloot: ‘Ja, hè? Vind je leuk, hè? O gaan we daarheen? Wat is daar dan?’ Honden brengen het oude dametje in me naar boven.

Maar toen: het Grote Poepen. Hij hurkte, en begon zó hard te persen dat zijn rode uitschuifpiemel tevoorschijn floepte. Trillend, met tranen in zijn ogen perste hij een enorme gele slang uit zijn achterste. En nog een. En nog een. Drie gele zeekomkommers, een halve meter uit elkaar. In shock trok ik drie zakjes van de rol. Maar o: hij was nog niet klaar. Nog een flots hier, en een klodder daar. De consistentie was een soort Zaanse mosterd, te zacht om in in zijn geheel op te pakken. Terwijl hij zijn achterste over de tegels probeerde schoon te schuren, was ik druk met plastic zakjes, mij pijnlijk bewust van de walging en minachting waarmee wij voorbijgangers vervulden. Ik voel die minachting soms ook, voor anderen die ik kak achter hun hond aan zie oprapen; dit was mijn karmische straf daarvoor.

Nu ligt Willem (zo heet-ie) zwaar ademend te slapen met zijn lieve kop op mijn voet. Ik ben even verliefd. Maar de vraag is: overwint liefde alles? Ook warme mosterdkak proberen beet te krijgen met plastic zakjes? Poezen zijn eigenlijk zo gek nog niet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden