EssayTijd

Overschat je eigen tijd niet

Ja, de oude denkers hielden er antieke ideeën op na en wisten minder dan wij. Maar wie ze daarom afserveert, heeft een blinde vlek voor zijn eigen tijd, vindt Olaf Tempelman. Want ook wij zijn niet immuun voor zonderlinge opvattingen.

Beeld Elise Vandeplancke

De introspectieve kasteelheer Montaigne is al bijna 430 jaar dood, maar bijna elke avond leer ik nog wel wat van hem. Gisteravond heb ik geleerd hoe zeer verlangens opspelen als ze worden tegengewerkt, eergisteren hoeveel mensen besluiteloosheid ondraaglijker vinden dan leven met een slecht besluit. In de kwart eeuw dat ik Montaigne nu ken, is hij behalve een raadgever een vriend geworden. Elke keer sta ik weer versteld dat iemand die zo lang geleden leefde tegen zoveel dezelfde dingen aanliep. In de serie ‘Zinvol Leven’ in deze krant vertelde de Vlaamse dichter Maud Vanhauwaert over precies zo’n band met Montaigne: ‘Om me als 36-jarige vrouw in het Antwerpen van de 21ste eeuw plots verbonden te weten met een 16de-eeuwse Franse kasteelheer, dat is zo wonderlijk. Dat is een verbinding door tijd en ruimte, waar ik kippevel van krijg.’

Vanwege die verbinding door tijd en ruimte is Montaigne eeuw na eeuw herdrukt, kun je betogen. Dat Shakespeare nog lezers heeft, is ook niet toevallig. Combineer de juiste scènes uit Macbeth, King Lear en Richard III en je krijgt het presidentschap van Donald Trump. Als Lady Macbeth niet in vele varianten rondliep in onze tijd, vond Google haar niet 13,5 miljoen keer. Dat Seneca nog wordt gelezen, heeft, kun je speculeren, ook te maken met wat hij zegt over zaken waar mensen tweeduizend jaar later nog steeds over nadenken.

In een essay in deze krant, ‘Hoog tijd voor een nieuw Socrates’, constateert Kees Kraaijeveld, directeur van de Argumentenfabriek, iets anders: mensen die in onze tijd te rade gaan bij oude denkers, stellen zich aan zonderlinge en verouderde ideeën bloot. Ze gaan te rade bij ‘mannen die, als het gaat om de fundering van hun mens- en wereldbeeld, een kennisniveau hadden dat slechts een fractie is van wat vandaag de dag een middelbare scholier al weet. Evolutietheorie? Elektronica? Erfelijkheid? Zenuwcellen? Zwaartekracht? Zonne-energie? Miljoenensteden? Massamedia? Microbioom? Die oude denkers hadden werkelijk geen idee. Hun wereldbeeld was zeer onvolkomen. Hun mensbeeld daarmee ook.’

Kraaijeveld pleit voor ‘wijsheid die gebaseerd is op kloppende, wetenschappelijke kennis over de wereld en de mens’. Hij staat daarin geenszins alleen. Het wetenschappelijk onderzoek naar wijsheid heeft de afgelopen twintig jaar een vlucht genomen. Evidence-Based Wisdom (EBW) is de naam van een stroming waarin wetenschappers zich inspannen het kaf van het koren te scheiden in wijsheden die eeuwenlang zijn overgeleverd. In de tijd dat de wijsgeren leefden stond de wetenschap nog in de kinderschoenen, inmiddels hebben we methodes om die oude ideeën te toetsen. Zo bezien is onze 21ste eeuw niet zomaar een tijd maar De Tijd: eindelijk wordt duidelijk of beweringen die soms al tweeduizend jaar circuleren ergens op zijn gebaseerd zijn.

Het is een feit dat de wetenschap tegenwoordig dingen vermag waarvan onze voorouders zich in de verte geen voorstelling konden maken. Montaigne schreef, behalve over zaken waar mensen nog steeds over piekeren, over zijn nierstenen die hem pijnen bezorgden die tegenwoordig prima te behandelen zijn. Of iemand die met koliekpijn maar zonder elektriciteit moest leven ongeschikt is als raadgever van mensen die leven in tijden van zonnepanelen en geavanceerde medische zorg, valt echter te bezien.

Het typische van wetenschappelijke vooruitgang is namelijk dat die de omstandigheden waarin mensen leven meer heeft veranderd dan de mensen zelf. Ook al hebben ze nu elektrische tandenborstels en lijden ze nauwelijks nog onder koliekpijn, ze maken allerlei dingen mee die mensen vroeger ook meemaakten. Nog steeds worden ze door geliefden verlaten, zien ze hun kinderen opgroeien en hun ouders sterven en voelen ze met het klimmen der jaren hun krachten afnemen. Nog steeds worden ze overmand door emoties waarmee mensen vroeger ook al bekend waren en stellen ze zich vragen die mensen zich lang geleden ook al stelden – iedere tijd is uniek, veel dingen waar mensen mee te maken krijgen zijn dat niet. In het coronajaar 2020 gingen al flink wat mensen te rade bij oude denkers die pandemieën meemaakten.

Seneca wist niets van microbioom, maar expertise inzake onze darmflora is niet precies hetzelfde als wijsheid. Wat wijs is en wat niet, is minder makkelijk meetbaar dan wat zonnepanelen aan energie opleveren. Wie denkt dat ‘wijsheid die gebaseerd is op kloppende, wetenschappelijke kennis’ iets vermag wat er de afgelopen tweeduizend jaar niet in zat, zou zijn eigen tijd weleens kunnen overschatten. Daarin is de Evidence-Based Wisdom-stroming niet uniek.

Het is lastig een stroming die streeft naar ‘correcte wijsheid’ los te zien van de stroming die streeft naar ‘correcte geschiedschrijving’ en de actualiteit beheerst met het kritisch tegen het licht houden van historische figuren. Het uit de VS overgewaaide woord cancelcultuur – het Nederlandse ‘afrekencultuur’ wil vooralsnog niet inburgeren – is een prima kandidaat voor het woord van het jaar 2020. Behalve onwetenschappelijke ideeën konden oude denkers er ook verwerpelijke ideeën op na houden – sommigen hadden minstens zo’n bord voor hun kop als Columbus toen die Amerika ontdekte. Kraaijeveld maakt in zijn essay een begin met een inventaris. Aristoteles hield er een ‘kolderieke theorie over de inferioriteit van de vrouw’ op na. De door liefhebbers van wijsheid nog steeds gelezen Marcus Aurelius ondernam een offensief tegen homoseksualiteit in het Romeinse Rijk. Je kunt ook nog melden dat Seneca zich door (toen weliswaar witte) slaven lieten bedienen, zoals flink wat meer mannen uit de eerste eeuw na Christus.

Dat weinig mensen immuun zijn voor ‘de waan van hun tijd’, noem het een mengsel van collectieve blinde vlekken, is overtuigend aangetoond door de Palestijns-Amerikaanse literatuurwetenschapper Edward Said in zijn invloedrijke werk Culture and Imperialism. Daarin behandelt hij de koloniale mentaliteit van 19de-eeuwse Europese schrijvers. Jane Austen ziet in Mansfield Park de overzeese bezittingen van Sir Thomas Bertram als ‘een natuurlijke voortzetting van de rust, de orde en de schoonheid van Mansfield Park’. Voor Austen was het vanzelfsprekend dat de Britten het recht hadden de wereld te overheersen. Voor Charles Dickens, Rudyard Kipling (Jungle Book) of Joseph Cornad was het dat ook.

Beeld Elise Vandeplancke

De vraag is nu: wordt hun schrijverschap minder waard omdat ze die Britse kolonieën even normaal vonden als 20ste-eeuwse Nederlanders de Zwarte Pieten die hun scholen bezochten? Volgens mij is dat net zo min het geval als dat Montaignes inzichten over roem, verwaandheid of woede geen waarde meer hebben omdat hij als een typische man van de 16de eeuw meende dat vrouwen niet tot diepe vriendschap in staat waren, en geen idee had dat zijn nierstenen binnen vier eeuwen behandelbaar zouden zijn. Geen 21ste-eeuwse vrouw die Montaigne leest, gaat zich afvragen of zij wel tot diepe vriendschap in staat is: het is niet zo moeilijk passages te onderscheiden waarin oude denkers vastzitten in hun tijd en waarin ze die eigen tijd ontstijgen. Was dat wel lastig, dan had Montaigne in 2020 geen fans onder 36-jarige vrouwen in Antwerpen.

Van schrijver Leslie Hartley is de klassieke zin: ‘The past is a foreign country, they do things different there.’ Er is een verschil tussen mensen die in hun eigen tijd al afkeuring opriepen en mensen die, omdat ze nu eenmaal kinderen van hun tijd waren, meegingen in dingen die later als afkeurenswaardig te boek kwamen te staan. Maak je dat onderscheid niet, dan wordt het verleden één grote duistere pot nat. Caligula was een ander soort Romeinse keizer dan Marcus Aurelius, zoals Trump een ander soort president is dan Obama. Jan Pieterszoon Coen kreeg in zijn eigen tijd al reprimandes voor zijn ‘tuchtigingen’ en had nooit met een Coentunnel geëerd mogen worden. Wie álle 17de-eeuwse prominenten medeplichtig maakt aan VOC-excessen, moet er rekening mee houden dat mensen over een paar eeuwen alle niet-vegetarische BN’ers praktijken in vleesverwerkingsbedrijven kunnen gaan aanwrijven, of iets anders.

Weinig mensen gaan vrijuit als ze worden beoordeeld met de normen van een andere tijd. Proust is pas honderd jaar dood, maar niemand zou nu nog zó over dienstmeisjes schrijven. Als Astrid Lindgren een halve eeuw later had geleefd, had ze van de vader van Pippi Langkous geen negerkoning gemaakt. Schrijvers die ervoor ijveren die negerkoning uit haar boeken te verwijderen, moeten anticiperen op een toekomst waarin aanstoot zal worden genomen aan hun eigen boeken. Dat onze achterkleinkinderen over onze vliegreizen of onze slachthuizen zullen vallen, is louter speculatie. Dat ze zullen constateren dat ook 21ste-eeuwers oogkleppen droegen, is waarschijnlijk, want dat vloeit voort uit een cultuur waarin het basisidee is dat we steeds verder komen.

Van de Vlaamse romancier Erwin Mortier is een fraaie retorische vraag: ‘Waar toch komt die eigendunk vandaan, waarmee wij het verleden zo graag herleiden tot de peutertuin van onze eigen tijd?’

Een paar eeuwen terug nam de wetenschap in de westerse wereld een vlucht. Vooruitgang werd een sleutelwoord. Tijdsbeleving werd steeds meer lineair waar die voorheen cyclisch was geweest. Als ons basisidee is dat we steeds verder komen, dan worden mensen die eerder leefden dan wij als vanzelf mensen die mínder ver waren, of zelfs in achterlijke tijden leefden, in plaats van mensen die verrassend veel op ons leken en verrassend veel dezelfde dingen meemaakten, al was het maar omdat zij dezelfde cyclus van het leven doorliepen.

In een cultuurgebied waarin innovatie voortdurend barrières slecht, kan de overschatting van de eigen tijd extreme vormen aannemen. Een voorbeeld is het biotechbedrijf Calico dat Google in 2013 oprichtte, en dat zich zonder enige ironie ten doelt stelt technische oplossingen te vinden voor het aloude probleem van de menselijke sterfelijkheid. De gangmaker van Googles onsterfelijkheidsproject, de Amerikaanse transhumanist Ray Kurzweil, denkt dat hij in de tijd leeft waarin ouderdom en dood voor het eerst in de geschiedenis optioneel zullen worden.

Het is al vaak geconstateerd dat het woord ‘oud’ in de westerse cultuur in laag aanzien staat. De moderne westerse wereld onderscheidt zich van andere cultuurgebieden door het goeddeels ontbreken van vormen van voorouderverering. Waarom zou je die voorouders gaan vereren als ze van toeten noch blazen wisten? Een Britse japanoloog maakte ooit de volgende grap over het verschil tussen de westerse en de Japanse omgang met het verleden: ‘In Japan wordt alles wat oud is god en in het Westen wordt met alles wat oud is afgerekend.’

Het verleden verdient beter dan te worden behandeld als peutertuin. Onze voorouders verdienen beter dan te worden gedegradeerd tot mensen die in donkere tijden leefden en volkomen onkundig waren, dan wel tot mensen die een paradijs bewoonden waarin tradities nog krachtig waren en de verdorven EU de natiestaat nog niet had ondermijnd. De romantisering van het verleden door conservatieve onheilsdenkers van het type Baudet komt tot stand volgens een zelfde recept als de demonisering van dat verleden door fervente vooruitgangsdenkers: er wordt een karikatuur gemaakt van een andere tijd, onze voorouders worden eendimensionaal. Zo waren onze voorouders niet. Wie mensen van vroeger leert kennen in wat ze ons nalieten, leert dat veel van hun zorgen, gedachten en bevindingen dezelfde waren als de onze, dat veel grote mysteries nog altijd niet zijn ontrafeld, en dat we vaak nog wat van hen kunnen leren ook.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden