Overheid kan kunst niet inspireren

Diederik Boomsma antwoordt zijn critici.

Het verbond tussen staatssubsidie en modernistische avant-garde heeft de kloof tussen burger en kunst verdiept, betoogde ik vorige week (Opinie & Debat, 19 oktober).

Die suggestie raakte menige gevoelige snaar. Zo vond Arnon Grunberg het nodig naar mij te verwijzen als een wegbereider van stalinisme (Voorpagina, 20 oktober) en betitelde Gerrit Komrij mij als een gelobotomiseerde androïde.

Graffiti
Om hen en andere schuimbekkende kunstscheppers gerust te stellen: in Amsterdam houd ik mij niet bezig met de verdeling van kunstsubsidies, maar met de commissie Verkeer, Vervoer en Luchtkwaliteit. Er is vast wel een moderne kunstenaar die stoplichten en fijnstof heeft verwerkt in een conceptueel of installatiekunstwerk, maar mijn politieke betrokkenheid beperkt zich tot de kunst die in de metro’s op alle oppervlaktes is aangebracht om graffiti – een andere antiburgerlijke kunstvorm – te ontmoedigen.

Toch ben ik als kunstminnend burger begaan met de toekomst van het vaderlandse culturele leven.

Aversie
Ik heb geen hekel aan de componist Schönberg, diens prachtige Gurrelieder of andere vroege werken. Slechts zijn dodecafonische muziek vind ik tenenkrommend – hoewel niet zo tenenkrommend als het serialisme van zijn navolgers Boulez en Stockhausen.

Ik heb ook niets tegen elites of al dan niet arrogante kunstenaars. Het gaat om de kunst en dan doe ik twee feitelijke constateringen: a. dat de kunstensector, en met name modernistische kunst, de afgelopen decennia sterk afhankelijk is geworden van subsidies, en b. dat er een afstand bestaat tussen een meerderheid van ook ontwikkelde burgers en, vooral modernistische, kunst.

Dat is nu juist een verklaring voor de observatie van Koolmees (Opinie & Debat, 25 oktober) dat het besef van het belang van kunst de afgelopen decennia verloren is gegaan, voor de aversie tegen kunstsubsidies, en voor de kwetsbaarheid van kunsten in onze bezuinigende volksdemocratie.

Monstrum
Juist om de kunsten een duurzame plaats te geven, verdienen markt en mecenaat een grotere rol. De vraag is hoe.

Dat markt en mecenas, die eeuwenlang de kunsten hebben gedragen, alleen voor povere en archaïsche kunst zouden zorgen, getuigt van doemdenken en minachting. In de 19de eeuw namen de gebildete burgers grosso modo ook actiever en directer deel aan het kunstzinnige leven. Nieuwe producties en composities trokken een veel groter publiek.

Die filantropische, aanjagende rol kan een bureaucratisch instituut als de overheid niet goed overnemen. De grootste vrees van filosoof Ortega y Gasset, zoals beschreven in de Opstand der Horden, was het uitdijen van de staat tot een bureaucratisch monstrum dat ‘iedere spontane sociale actie ondermijnt’.

Muziekschool
Er heeft altijd een afstand bestaan tussen hogere kunsten en de volkskunst, maar vóór de opkomst van de avant-garde bestond daartussen een nauwere en meer vruchtbare verwantschap dan nu tussen bijvoorbeeld 50 Cent en Louis Andriessen.

Natuurlijk is het scheppen van kunst op het hoogste niveau iets voor een kleine elite, maar dat geldt niet voor de mensen die ervan kunnen leren genieten. Als de minderheid die deze kunst kan maken niet veel groter is dan de minderheid die haar, óók na decennia gewenning, kan waarderen, gaat er iets niet goed.

Er is een verschil tussen kunst leren begrijpen en onbegrijpelijkheid etaleren als hoogste waarde. In die zin is er ook een kloof tussen Bach en Boulez. En natuurlijk is er veel meer in den lande dan piepknorconcerten en Piss Christ. Zo is er al enige tijd een herleving gaande van klassieke architectuur en figuratieve kunst.

Zeker zijn veel subsidies welbesteed aan fantastische, waardevolle instellingen, zoals de Amsterdamse muziekschool. Ook het Radio Filharmonisch Orkest speelt programma’s die door een breed publiek worden gewaardeerd.

Antipopulistisch
Maar zoals slecht geld goed geld verdrijft, heeft onzinkunst de publieke bereidheid voor alle kunsten ondermijnd. Nonsens confisqueert betekenis. Daarom ontkomen we niet aan deze discussie.

Tot tachtig jaar geleden was kunst voornamelijk gericht op schoonheid. Na de opkomst van het modernisme gingen kunstenaars zich steeds meer concentreren op expressie, authenticiteit en vernieuwing, en schoppen tegen burgerlijke ‘kitsch’. Kunst moest shockeren, morele grenzen overschrijden.

Jaïr Stranders (Opinie & Debat, 20 oktober) bevestigt nog eens dat moderne kunst een soort magische buffer tegen populisme moet zijn, waarbij hij antipopulistisch gelijkstelt met antiburgerlijk, wat precies het probleem is. ‘Betaal mijn onbegrijpelijke kunst of jullie ongelikte barbaren zullen vallen voor de sterke man.’ Met zulke argumenten winnen we de oorlog niet. Hoe dan wel?

Voorgoed kwijt
Ten eerste: met onderwijs en klassieke Bildung. Waarom leren kinderen op school wel gedichten en romans lezen, maar geen klassieke muziek luisteren? Daar is een wereld te winnen, zoals Annemieke Zuurbier stelt (Opinie & Debat, 21 oktober).

Onderwijs hen in de eeuwenoude westerse stijltradities en praat ze niet aan dat kunst er vooral is om te vernieuwen en te vervreemden – dan ben je ze voorgoed kwijt.

Ten tweede, schep een fiscaal klimaat dat het mecenaat verder ondersteunt en bevordert. De voorgestelde maatregel om de btw voor kunsten te verhogen, verhoudt zich daar inderdaad slecht mee, zoals een aantal kunstwethouders betoogt.

Maar nog belangrijker is de kunst zelf. Laten we serieuze hedendaagse kunstenaars daarom vooral blijven stimuleren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden