OPINIE

Orhan Pamuk mist de verloren poel van de vakanties in zijn jeugd

Waar de Turkse schrijver als jochie allerlei zeediertjes bestudeerde, maakt ‘zeesnot’ nu alles dood. Overbevolking en industrieën maakten een eind aan de idyllische wereld van de Zee van Marmara.

Turen over de verpeste Zee van Marmara.  Beeld Nur / Getty
Turen over de verpeste Zee van Marmara.Beeld Nur / Getty

In de zomer van 1964, toen ik een jaar of 12, 13 was, zaten we in een huis aan de kust op zo’n 55 kilometer van Istanbul. Vaak sprong ik over de lage tuinmuur en liep ik naar het strand, door de rotsen en lege velden langs de kust, waarbij ik mij over alle verbazingwekkende kleine verrassingen boog die de natuur op mijn pad had gelegd. Op een dag zag ik een kleine waterpoel tussen de rotsen. Eigenlijk was het niet echt een poel. De zee stroomde er steeds weer in door de spleten tussen de rotsen en de stenen. Maar toch, net als een echte poel was deze ongeveer dertig centimeter diep en zes of zeven meter breed en lag hij beschut tegen de aanval van de woeste golven van de zee. Al gauw kwam ik erachter dat zich onder het gladde en volmaakt doorzichtige oppervlak van mijn ‘poel’ een andere wereld bevond, een complete beschaving, en ik ging er steeds meer tijd doorbrengen, alleen in de zomerse hitte, helemaal in beslag genomen door die bruisende wereld die daar verzonken in het lauwe zeewater lag.

Het leukst vond ik de half-witte, half-doorschijnende babykrabbetjes – niet groter dan mijn vingernagel – die voortdurend opgewonden zijwaarts rondscharrelden. Gespikkelde, veelkleurige grondels schoten van de ene rots naar de andere, zorgvuldig het zonlicht mijdend. Die waren vrij lelijk. Grotere grondels raakten vaak verstrikt in visnetten, net als schorpioenvissen met die giftige stekels op hun rug. Die vond ik maar niks. Een naaldvis die de weg was kwijtgeraakt en in de poel terecht was gekomen, kwam af en toe boven, geduldig op zoek naar een uitweg, waarbij zijn slanke zwarte bek als een duikboot door het water gleed. Ik was stomverbaasd dat de naaldvis er niet in slaagde om een uitweg te vinden en bij het volgen van zijn pogingen was ik me ook bewust van mijn eigen levensvragen.

Pokdalige rotsen

Soms stak plotseling een krab zo groot als mijn hand (de hand van een 12-jarige!) zijn bruinige, porseleinheldere klauw uit boven de zee-egels, de paardenanemonen en de mossels die aan de pokdalige rotsen kleefden. Zodra we deze beweging zagen, hielden ik en alle andere schepsels in die zoutwaterpoel ons roerloos, wachtend op het opduiken van de krab – maar die kwam nooit. Net als de slijmvissen – die zich altijd zo snel als bliksemschichten voortbewogen waarbij niet alleen hun staart maar hun hele lichaam zwiepte – liet ook die grote krab zich niet vaak zien. Soms kwam er een school koornaarvisjes, formaat lucifer, die net als de naaldvis de weg waren kwijtgeraakt of door een grillige golf waren voortgestuwd, de poel in, om er te blijven. Het bleef me verbazen hoe onverstoorbaar deze visjes de terugweg probeerden te vinden.

Ik droeg een korte broek en plastic teenslippers – die in Turkije ‘Tokio’s’ werden genoemd, omdat ze op traditionele Japanse slippers leken. Soms liep ik de poel in tot het water aan mijn knieën stond. De grond onder mijn voeten voelde aan als een slijmerig moeras en dan bleef ik in het midden van die beschaving stilstaan. Witte garnaaltjes sprongen op als sprinkhanen en maakten dat ze wegkwamen. Dan wachtte ik tot de wolk van modder die mijn voeten hadden veroorzaakt langzaam was weggezakt, waarna ik mij vooroverboog tot ik met mijn neus vlak boven het spiegelende water kwam. Zo kon ik soms uren staan kijken naar de zeekomkommers op de bodem, naar de kleine slakken die hun huisjes meesleepten op hun vlotte voetjes, net zo behaard als spinnenpoten. Ik zag de voetafdruk van al die verschillende beestjes, de vreemde gaten in de bodem die eruitzagen als mierenholen, en de kleine luchtbelletjes die ik nooit helemaal kon verklaren. Ik voelde de zon in mijn nek branden. In de verte kon ik kinderen horen roepen en de geluiden van vrolijke mensen die genoten op het strand.

Twee zomers was ik daar, en één keer gebeurde er iets afschuwelijks bij die altijd zo rustige poel. Een zeemeeuw kwam uit de lucht gedoken, ving behendig een plompe onfortuinlijke grondel met zijn bek om daarna weer razendsnel omhoog te klimmen. De angst die ik op dat moment voelde, ben ik nooit vergeten.

Af en toe riep mijn moeder me vanuit het huis: ‘Orhaaaan! Oooooorrrhaaaan!’

Ik gaf nooit antwoord, want ik wilde niet laten weten waar ik uithing. Ik wilde bij de wereld in de poel horen en dus wachtte ik daar, rustig, zonder me te bewegen.

Verdwenen

Die hele wereld is er nu niet meer. In 1964 woonden er 2,5 miljoen mensen aan de Zee van Marmara. Nu zijn het er 25 miljoen en bevindt de halve Turkse industrie zich hier. In 1967 is mijn poel gedempt en verscheen er op die plek een betonnen steiger, zodat de mensen die hun zomervakantie doorbrachten in de nabijgelegen flats een plek hadden om te zonnebaden. In juni 2021 verscheen er een mysterieuze, walgelijke, glanzende laag op het water van de Zee van Marmara, door de plaatselijke bevolking aangeduid als ‘zeesnot’. De openbare stranden van Istanbul en van de hele regio Marmara – die elk ooit een bijzondere wereld op zichzelf hadden gevormd, een beetje zoals in oude bioscopen – werden allemaal gesloten. De zeekomkommers en minuscule garnaaltjes waren al eerder verdwenen.

Vertaling: Leo Reijnen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden