ColumnAaf Brandt Corstius

Opvallend hoeveel we tegenwoordig over snot en ‘verschijnselen’ praten

Lichte verschijnselen. Daar had je ze. Eerst hadden de leraren op school lichte verschijnselen, toen iemand op mijn kantoor, toen mijn zoon. Hij meldde hoofdpijn, keelpijn en snot.

Opvallend trouwens, hoeveel we tegenwoordig over snot praten. ‘Heb jij snot?’ ‘Ik heb snot.’ ‘Ja, hij had wel snot. Dus.’ ‘Mijn schoonmoeder heeft vrij veel snot.’ ‘Wij hebben thuis allemaal snot.’

Snot, het is bijna een onomatopee. Eigenlijk een prachtig woord, maar ook zoiets als puist: je zegt het liever niet omdat je het dan voor je ziet.

Maar nu zeggen we het vaak, net als ‘verschijnselen’.

Hier gingen we dan, nu moest het. De testlijn bellen. Dan heel lang wachten. Een afspraak maken. Dan heel lang wachten tot we mochten. Dan naar de afspraak. Dan heel lang wachten op de uitslag. En al die tijd mijn zoon binnenhouden, niet mee naar buiten in het heerlijke weer, maar laten gamen in zijn verduisterde kamer. Dat is op zich zijn versie van de hemel, maar toch.

Zeur niet, sprak ik mezelf toe. Er zijn ook duizenden mensen die op straat leven op een door elke vorm van god maar niet door corona verlaten Grieks eiland.

We konden komen, zei de vrouw aan de andere kant van de lijn, als we over een uur op de fiets sprongen. Er was toevallig een plek vrij. Alsof we zeven toegangskaarten voor de Efteling hadden gewonnen, bedankte ik haar geestdriftig.

Gewapend met mondkappen betraden mijn zoon, dochter en ik de hal waar er werd getest. Er heerste een minder nucleaire sfeer dan ik had gedacht. Behalve de verplegers had niemand een mondkap op, ook niet de vriendelijke meneer die ons naar de plek begeleidde waar we moesten wachten. Er werd wel veel gehoest, want iedereen die hier kwam, hoestte. Ik vond dat de vriendelijke meneer op zijn minst een spatscherm op moest, en een mondkap, een schort en handschoenen, maar ik bemoeide me er maar niet mee.

‘Vind je het spannend?’ vroeg ik aan mijn zoon. Dat is mijn code voor: ‘Ik vind het spannend.’ ‘Nee,’ zei hij.

Een ongelofelijk lieve verpleegster – bestaat er een ander type? – stopte een dunne rager in de keel van mijn zoon, en daarna in zijn neus. Hij nieste en toen kreeg hij de slappe lach.

Of hij een dapperheidsdiploma wilde. Ja, doe maar, zei hij groothartig. Hij had nog steeds de slappe lach.

Nu zouden we eindeloos moeten wachten op de uitslag, bereidde ik hem voor. Het geluid van mijn telefoon had ik aangezet, lekker ouderwets. Maar toen appte een vriendin dat je na 24 uur zelf kon bellen.

Dat kon, en er nam ook nog iemand op, en die zei dat hij het niet had.

Soms valt een pandemie mee.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden