Opinie: Vrouwenquota zijn pas overbodig als een kabinet 'toevallig' in ruime meerderheid uit vrouwen bestaat

Kiezen voor de 'beste persoon' kan ook een meerderheid van vrouwen in het bestuur opleveren, betogen Eva Jaspers en Tanja van der Lippe.

Dick Benschop van Shell Nederland, hier bij de opening van de Shell Eco-marathon van 2015, wordt de nieuwe topman van Schiphol. Foto ANP

Een quotum voor vrouwen in topfuncties bestaat al op de arbeidsmarkt. A l gaat het dan niet om een minimum, maar om een maximum, als we Jos Nijhuis mogen geloven. Deze baas van Schiphol vindt dat 50 procent vrouwen in de raad van bestuur de limiet is.

Het veel gebezigde argument dat het gaat om de beste persoon voor de functie, en niet om het geslacht van die persoon, gaat blijkbaar niet op wanneer de meerderheid, eenmalig, vrouwelijk dreigt te kunnen worden.

Andersom wordt het argument van de beste persoon veel gehoord. Zo zei de minister-president, bij de presentatie van zijn voornamelijk mannelijke kabinet: 'Ik had er (vrouwen) graag meer willen hebben. Maar uiteindelijk geldt: we gaan voor de beste mensen. Het is wat het is'.

Om drie redenen is de stellingname van beide topmannen problematisch, en illustratief voor een meer algemene situatie aan de top van de arbeidsmarkt.

1. Het suggereert dat vrouwen in topfuncties, wanneer zij in de meerderheid zouden zijn, minder goed presteren dan enkel mannelijke of gelijk verdeelde raden van bestuur. Er is geen wetenschappelijk bewijs voor deze stelling, al is het maar omdat er niet voldoende cases van in meerderheid vrouwelijke bestuursraden zijn om deze stelling te kunnen onderzoeken. Deze suggesties van mannen (en vrouwen) aan de top houden bestaande stereotiepe ideeën over vrouwelijke leiders echter wel in stand.

2. Het geeft aan dat mannen de norm zijn, en blijven, wanneer het gaat om het ideaaltype van een bestuurder én wanneer het gaat over wie de beslissingsmacht heeft over de samenstelling van een raad van bestuur. Het zijn mannen die, in elk geval naar buiten toe, deze besluiten nemen.

3. Het vermindert de bereidheid van vrouwen om te solliciteren naar topfuncties. Ze bestaan echt nog steeds, de vacatureprofielen waarin wordt gerept van de 'centrale man in de organisatie' of de 'man met een missie'. Onderzoek laat zien dat vrouwen minder geneigd zijn te reageren op functies waarin expliciet of impliciet naar mannelijke kwaliteiten wordt verwezen.

Wat zegt het wetenschappelijk onderzoek dan wel? Vrouwen zijn geen slechtere (of betere) leiders. Er bestaan mogelijk enkele kleine verschillen in de gemiddelde leiderschapsstijl van mannen en vrouwen, maar die leiden niet tot betere of slechtere resultaten.

Vrouwen in topfuncties hebben gemiddeld meer tegenwerking ervaren en meer privé opofferingen gedaan (ze zijn vaker single en kinderloos) dan hun mannelijke evenknieën. Vrouwen zijn even ambitieus als mannen, en er zijn voor alle topfuncties voldoende vrouwelijke kandidaten beschikbaar. Jonge vrouwen zijn inmiddels hoger opgeleid dan jonge mannen.

Kortom, er is geen wetenschappelijk gefundeerde reden om aan mannen de voorkeur te geven boven vrouwen wanneer het gaat om topfuncties, maar er is wel reden om vrouwen te steunen in het bereiken van die functies. Pas wanneer het net zo gewoon zou zijn dat een kabinet of raad van bestuur 'toevallig' in ruime meerderheid uit vrouwen zou bestaan, omdat nu eenmaal voor de beste mensen is gekozen, zijn minimum vrouwenquota echt overbodig.

Eva Jaspers en Tanja van der Lippe zijn verbonden aan de Afdeling Sociologie van de Universiteit Utrecht.