Opinie: Videospellen maken je echt niet gewelddadig, betoogt redacteur Peter van Ammelrooy

De mythe van de moordlustige gamer

Na de Parkland-schietpartij is president Trump overtuigd: gewelddadige games moeten worden aangepakt, want ze wakkeren de bloeddorst aan. Maar gamecensuur zou zinloos zijn, stelt Peter van Ammelrooy.

Call of Duty Foto anp

Drie weken geleden liet de 19-jarige Nikolas Cruz zich door een Uber-taxi afzetten bij de Marjory Stoneman Douglas High School, zijn voormalige middelbare school in Parkland (Florida). Cruz droeg een AR-15 bij zich, een halfautomatisch vuurwapen, en flink wat kogels. Hij ging gebouw 12 binnen, liet het brandalarm afgaan en begon te schieten op scholieren en leraren die de klassen uitstormden. Zeventien mensen vonden de dood.

Parkland is de op acht na bloedigste schietpartij in de geschiedenis van VS, en het op drie na zwaarste bloedbad met vuurwapens dat zich voltrok op een school of universiteit. Alleen al de afgelopen vijf jaar hebben zich 290 schietpartijen voorgedaan op Amerikaanse onderwijsinstellingen.

In het licht van die ontwikkeling heeft de Amerikaanse president Donald Trump deze week gezegd dat hij alle scholen wil sluiten, 'om een einde te maken aan het zinloze bloedvergieten in het Amerikaanse onderwijs. We kunnen onze kinderen niet langer naar deze levensgevaarlijke plekken toesturen.'

Oké: dit is fake. Zelfs voor een president als Trump zou deze maatregel te idioot voor woorden zijn.

Maar het is niet veel dwazer dan het voorstel dat Trump een week na Parkland wél deed. De president wil gewelddadige computerspellen aanpakken. Want, zegt Trump: 'Ik hoor steeds meer mensen zeggen dat de hoeveelheid geweld in games de gedachten van jonge mensen vormt.'

Donald Trump wil gewelddadige computerspellen aanpakken Foto anp

Dat klinkt als een echo van de mantra van de NRA, Amerika's meedogenloze wapenlobby, die ook weer klonk na het drama in Florida: geweren doden geen mensen, mensen doden mensen. Het was een gek, mensen, niks aan de hand. Wordt dat nu: guns don't kill people, gamers kill people? Trump suggereert van wel.

Niet zo snel, meneer de president.

Elke keer als zich in de VS een bloedige schietpartij voltrekt, is de eerste vraag: zijn het moslims? De tweede vraag luidt: speelde de dader misschien gewelddadige games? Want het kan toch niet gezond zijn, dat uren-, dagen-, wekenlang om je heen knallen in de oorlogssimulator Call of Duty of het Holleeder-universum van Grand Theft Auto V?

Ik leg mijn PlayStation-controller even neer en werp een blik in de spiegel: wat is er mis met mij? Ik ben al negentien jaar redacteur van de Volkskrant, woon samen met vriendin en twee katten (Nip en Tuck), ben een liefhebber van politieke spotprenten en heb net Moonglow stukgelezen, Michael Chabons prachtige en hilarische portret van zijn joodse grootvader. En ja, ik speel ook graag games. Ik ben beslist een fan van first person shooters, de schietspellen waarbij je over de loop van een geweer de virtuele wereld inkijkt. Het is het populairste genre games en het soort dat het grote publiek associeert met gamen, de liefhebberij van miljoenen.

Tekst gaat verder onder afbeelding.

Foto Illustratie Philip Lindeman

De mythe ontkracht

Het is reuzespannend om rond te sluipen over een slagveld of op Mars, om tegenstanders met een enkele voltreffer uit te schakelen of om een politieauto op te blazen die me op de hielen zit. Het bloed spat soms in het rond, maar meestal gaan je slachtoffers na een paar seconden in rook op. Niks lijk, niks plas bloed. De lol zit hem in de adrenalinekick van het jagen en opgejaagd worden, niet in een of ander moordzuchtig genoegen. Alle gamers zijn eigenlijk jongetjes van 11 die nog steeds cowboytje en indiaantje willen spelen.

Dus: waarom ben ik nog niet in een taxi gestapt om mijn oude Eindhovense lyceum overhoop te schieten?

Misschien wel dit: dat je gewelddadig wordt van gewelddadige games is een mythe. Wat opvalt aan Trumps uitlating is dat hij de verderfelijke invloed van games 'van horen zeggen' heeft. Die steeds meer en meer mensen die hem die kennis hebben ingefluisterd kunnen onmogelijk wetenschappers zijn. Want de tientallen studies die zijn verricht naar de effecten van schietspellen op de kinderziel hebben nooit een significant verband kunnen leggen tussen virtuele moorden en de gruweldaden op Amerikaanse schoolpleinen.

Critici van schietspellen mogen graag verwijzen naar de American Psychological Association (APA). Die brancheclub van psychologen en therapeuten noemde in 2015 na een analyse van acht jaar aan studies het spelen van games een 'consistente risicofactor' voor meer agressieve gedachten en gedragingen en een verminderd vermogen tot empathie. De APA vroeg de game-industrie om 'zachtere' games.

Wat de APA-gelovigen er niet bijvertellen, is dat de pyschologenclub geen geloofwaardige data kon opvoeren waaruit bleek dat gewelddadige games kinderen beïnvloeden. Het ontbrak al helemaal aan steekhoudende research over een mogelijk afstompend effect op lange termijn.

Dat bewijs voor de relatie tussen langdurig gamen en misdaad of gewelddadig gedrag is er ook niet, aldus de Britse universitair hoofddocent Mark Coulson in 2015 tegenover de BBC. En over de effecten op de korte termijn: 'Als je drie uur lang Call of Duty speelt, voel je je misschien wat opgelierd. Toch loop je daarna niet de deur uit om zomaar iemand in elkaar te rossen.'

Grand Theft Auto V Foto Judith Baas

Coulson was twee jaar daarvoor een van de 230 ondertekenaars van een petitie waarin werd gewaarschuwd voor de metastudie van APA. De opzet rammelde. Een van de bezwaren: vrijwel elk onderzoek gebruikt andere definities van geweld en agressie. Sommigen waren van een lachwekkende knulligheid. Zo moesten proefpersonen in een experiment een schietspel spelen en daarna een lijst invullen met woorden waarin letters ontbraken, zoals '_ill' en 'explo_e'. Maar wat bewijst de uitkomst dat niet-gamers vaker dan gamers wel op de woorden 'fill' en 'explore' kwamen?

Een andere kwestie die de ondertekenaars aankaartten is dat het aantal gewelddadige misdrijven gepleegd door jongeren in de VS sinds 1980 dalende is, zoals blijkt uit cijfers van de Federal Interagency Forum on Child and Family Statistics, een overheidsdienst. Voor wie een verband wil leggen: juist in diezelfde periode werd games spelen gemeengoed, dankzij de pc en spelcomputers die we in huis konden halen.

De daling zette pas goed in na 1993, opmerkelijk genoeg het jaar dat Doom verscheen, de game die de toon en trend zette voor de first person shooter. Het was de geboorte van wat Trump-fluisteraars zien als de bron van het kwaad, maar het kwaad nam sindsdien juist af. Je zou zomaar een positief verband kunnen zien.

'Misschien', suggereerde weekblad The Economist in 2008, 'maakt gamen mensen juist minder gewelddadig, omdat het als een uitlaatklep dient.' Bizar genoeg is een aanwijzing daarvoor te vinden in het bloedbad dat Eric Harris en Dylan Klebold in 1999 op de Columbine High School aanrichtten. Zij waren fervente fans van Doom (zie je wel!). Een studie in het vakblad American Journal of Forensic Psychiatry uit 2007 wees er evenwel op dat de twee daders pas echt begonnen te ontsporen toen hun ouders hen het spelen van games onmogelijk maakten.

Na de grootste schoolslachting in de VS, met 32 doden op de campus van Virginia Tech University in Blacksburg (2007), werd ook geopperd dat de dader wel een gamefanaat moest zijn geweest. Maar Seung-Hui Cho bleek niet te hebben geoefend met schietspellen of oorlogsgames. Hij speelde liefst games als Sonic The Hedgehog - over een blauwe egel die over een hindernisbaan raast. En o ja, hij was dol op U2, basketbal en pizza.

Tekst gaat verder onder afbeelding.

Foto Illustratie Philip Lindeman

Waar stopt het?

Je kunt als samenleving vanzelfsprekend nog steeds besluiten om gewelddadige games in de ban doen, om op safe te spelen. Maar kun je daar dan stoppen? President Trump vroeg zich ook al af of wat bioscoop en tv de jeugd voorschotelen wel zo gezond is. Ga maar na: onderzoekers turfden in 1997 dat het gemiddelde Amerikaanse kind op zijn twaalfde al 8.000 moorden op tv heeft gezien. Het aanbod is er echt niet vredelievender op geworden.

Als we dan toch bezig zijn, moeten we agressieve videoclips niet verbannen en strips, liedjes, toneelstukken en romans waarin geweld een rol speelt? Dat wordt een heel hoge brandstapel, met de bijbel er bovenop.

Als gamer heb ik nooit begrepen hoe schietspellen als voorbeeld hadden kunnen dienen voor schutters als Nikolas Cruz, of Anders Breivik, de christenterrorist die in 2011 69 Noorse jongeren vermoordde. Er zijn geen games waarin je een school binnenloopt of een zomerkamp om ongewapende mensen af te knallen. Dat zou ook geen spel zijn. In games heb je altijd te maken met de mogelijkheid dat je tegenstander sneller schiet of beter richt en jou om zeep helpt - dat is de uitdaging.

Een goed schietspel, schreef de gamejournalist Stephen Totilo in 2012 in The New York Times, is 'een laboratorium voor tactische beslissingen en een proeftuin voor je reflexen en vernuft'. Voor mij is een goede shooter als een spannende film, waarvan je zelf het script schrijft, gaandeweg, met vijanden die in je nek hijgen, met munitie die je moet opsporen en wapens die soms natuurkundige wetten tarten. Jongeren begrijpen echt wel - blijkt ook uit onderzoek - dat je met vijf schotwonden niet even achter een muur dekking kunt zoeken om je 'levensmeter' weer vol te laten lopen.

Over het realisme in games: de laatste jaren verschijnen er vaker titels die de gamer voor morele dilemma's plaatsen. In Heavy Rain, een 'game noir' uit 2010, wordt je voor een onmogelijke keuze gesteld: als je een drugshandelaar doodt krijg je de verblijfplaats van je ontvoerde kind te horen. Wie durft de trekker nog over te halen als die dealer smekend om genade een foto van zijn twee dochtertjes laat zien?

'Er moet wat anders aan de hand zijn', twitterde de Nieuw-Zeelander John Edwards twee weken terug in een reactie op Trumps flirt met gamecensuur. 'We spelen hier dezelfde computerspellen als jullie. Maar we slachten geen kinderen in onze klaslokalen af.' Zou het geweld op Amerikaanse schoolpleinen misschien meer te maken hebben met het feit dat je in sommige staten gemakkelijker een vuurwapen in handen krijgt dan de sleutels van een auto?

Volgens Trump en de NRA moeten we echte wapens niet verbieden vanwege één rotte appel. Waarom zouden we dan wel kogels van pixels verbannen omdat er nu en dan een gamende rotte appel op de verkeerde ideeën komt? Praise the Lord and pass the ammunition.