Opinie op zondag: Hoofddoek illustreert de kloof met het individualistische Nederland

Prikkelende opinies op een dag dat u er tijd voor heeft: de Volkskrant presenteert elke zondag een bijdrage van een vaste club auteurs. Eerder vandaag historicus Willem Melching, nu journaliste en historica Daniela Hooghiemstra.

Op de nationale bekeerlingendag delen pas bekeerde moslims en andere belangstellenden hun ervaringen. Foto ANP

Diverse Nederlandse vrouwen, jong, oud, arm, rijk, gekleed in zwart gewaad of hippe skinny jeans, werkster, caissière, advocaat of columnist, dragen tegenwoordig een hoofddoek.

Terwijl de bedekking van het hoofd bij de eerste generatie immigranten nog betuttelend werd afgedaan als resultaat van vrouwelijke onmacht, blijkt een tweede generatie goed opgeleide, mondige moslima’s de traditie voort te willen zetten. Volgens een pas verschenen rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) dragen steeds meer Marokkaanse moslima’s een hoofddoek. Dat confronteert westerse feministen, of degenen die met flarden van dat gedachtengoed zijn opgevoed, met een dilemma. Moeten zij vijftig jaar nadat ze topless de stranden bestormden, het normaal vinden dat vrouwen in Nederland publiekelijk hun haar niet mogen of willen tonen? Een uitweg is de vrije keuze. Als vrouwen het zelf willen, zo hoor je vaak, is er geen probleem. Baas over eigen buik, dus óók over eigen hoofd.

Toch is dat liberale mantra niet het eind, maar eigenlijk het begin van de discussie. Want juist nu door scholing en inburgering mét in plaats van óver moslima’s gepraat wordt, valt het licht op de cultuurhistorische kloof die nog bestaat. De hoofddoek, symbool van vrouwelijke kuisheid en toewijding aan God, staat haaks op de heersende opvatting in het geseculariseerde en seksueel bevrijde Nederland dat die deugden het geluk van een vrouw juist in de weg kunnen staan.

Christelijke autoriteit

Stephanie Coontz analyseerde in haar cultuurhistorische studie Marriage, a history. From obedience to intimacy, or how love conquered marriage, hoe de christelijke kerk een cruciale rol speelde in de ontwikkeling van de relatie tussen mannen en vrouwen in West-Europa. Christelijke autoriteiten bepaalden rond de 13de eeuw dat huwelijken tegen de wil van familie in gesloten mochten worden. Zodra beide partners in het bijzijn van een kerkelijke autoriteit het ja-woord uitspraken, was hun verbond geldig.

Het huwelijk veranderde daarmee van een familieafspraak in een eigen belofte aan God. Door van het huwelijk een christelijk sacrament te maken, ondermijnde de kerk de machtsuitoefening van clans en stimuleerde zij de vorming van kleine, autonome familie-eenheden. Anders dan in Noord-Afrika en het Midden-Oosten zette in West-Europa al vroeg niet de stam, maar het kerngezin de toon.

Voor de autonome huishoudens die ontstonden, was economische zelfstandigheid een voorwaarde, zodat meestal laat getrouwd werd. Eenmaal getrouwd moesten beide huwelijkspartners de kleine economische eenheid draaiende houden. De relatief gelijkwaardige relaties die zo binnen huwelijken ontstonden, werden de basis van waaruit vrouwen zich emancipeerden. Vanaf het eind van de 19de eeuw economisch en maatschappelijk, vanaf de 20ste eeuw seksueel.

Wens van familie regeert

Huwelijken in het zuidelijke en oostelijke deel van het Middellandse Zeegebied ontwikkelden zich anders. Niet de wil van de gehuwden, maar de wens van de familie regeerde, zonder dat kerkelijke autoriteiten daartussen kwamen. Door te trouwen verwierven man en vrouw geen autonomie, maar een plekje binnen een groter reproductief systeem, waar (schoon)moeders en andere familieleden de dienst uitmaakten. Vrouwen trouwden jong en vaak binnen hun eigen familie, mannen konden meerdere huwelijken sluiten.

Vrouwen konden wel macht verwerven, ook over hun echtgenoot, maar alleen binnen het systeem. Zij ontleenden hun positie niet aan de verbintenis met hun man, maar aan die met de hele clan. In dergelijke gemeenschappen, schrijft Coontz, zijn het vaak juist de vrouwen die meer autonomie van hun sekse tegenhouden. Die brengt namelijk de groepsbescherming in gevaar die ze nodig hebben als ze jong zijn, en ondermijnt de macht die ze verwerven als ze oud zijn.

Vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw immigreerden gezinnen uit het collectieve familiesysteem naar het geïndividualiseerde Nederland. De verschijning van de hoofddoek in het straatbeeld was daarvan een opvallend kenmerk: niet alleen is bedekking van het hoofd door vrouwen een uiterlijk teken van hun nederigheid tegenover God, ook biedt zij vrouwen die zich buiten het familienetwerk willen ontwikkelen, bescherming.

Grote kloof

Hoewel veel moslima’s zich in de Nederlandse individualistische maatschappij intussen ontwikkeld hebben, blijft onder velen van hen de behoefte aan een hoofddoek bestaan. 

Daardoor blijft het onderscheid met vrouwen die in de Nederlandse individualistische traditie geworteld zijn, in stand. De kloof is groter dan beide zijden toe willen geven. Vrome moslima’s onderwerpen hun religieuze gebruiken en hoe die eventueel botsen, liever niet aan een onderzoek en seculiere vrouwen willen de tegenstellingen niet benoemen uit angst niet tolerant genoeg te zijn.

Maar wie de hoofddoek anno 2018 wegwuift als een willekeurig soort mode-accessoire, gaat voorbij aan het cultuurhistorische gewicht ervan. Als moderne vrouwen in Nederland ervoor kiezen een hoofddoek te dragen, gaat het niet alleen om de vraag of ze dat in vrijheid doen, maar ook om aan welke samenlevingsvorm ze met hun keuze refereren en waarom. Als daarover niet gepraat kan worden, ontaardt diversiteit in isolement en tolerantie in onverschilligheid. 

Daniela Hooghiemstra is journaliste en historica. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.