Opinie op Zondag Arnout Brouwers

Opinie op Zondag: Een zomerbrief uit mijn parallelle werelden

Iedereen schakelt tussen parallelle werelden: die van hun onmiddellijke omgeving en die van de immer en overal via beeldschermen aanwezige wereld elders, schrijft Arnout Brouwers. De angst voor vermenging van die werelden is begrijpelijk, maar geen reden om onze ideeën te verraden.

Een huis in een voorheen Georgisch dorp in Zuid-Ossetië, na de oorlog van 2008. Beeld Arnout Brouwers

Rustige zomer, tot dusver.

Elf jaar geleden zaten we midden in de Georgië Oorlog. Pavel, mijn fixer en vriend, en ik waren direct op een vliegtuig gesprongen na de onbezonnen aanval van president Saakasjvili op de Zuid-Ossetische stad Tschinvali. Zonder scherfvest, zonder satelliettelefoon.

De mensen in het oorlogsgebied begrepen er helemaal niets van, die oorlog. De collega’s van CNN en BBC stonden tijdens hun live verslagen altijd voor dat ene flatgebouw in Gori dat was kapotgeschoten door Russische jachtvliegtuigen. De appelentijd kwam eraan. Dra gevolgd door de druiven. Elke avond lag de achterbak vol appels. De gastvrijheid van de Georgiërs en de Osseten kent geen grenzen.

Het gebulder van de Georgische kanonnen weerklonk kilometers ver, maar als je ernaast geparkeerd stond was het oorverdovend. Niet slim, trouwens, om daar te stoppen. Geschoten werd op Tschinvali, kilometers verderop en niet zichtbaar. Raakten ze doel? Maanden later in Tschinvali kregen we het antwoord. Het ‘parlement’ was zwaar beschadigd, maar de Joodse wijk eromheen was ook grotendeels weggevaagd. Ook hier werden we te eten uitgenodigd, door Osseten die al maanden in de tuin van hun kapotgeschoten huis woonden en sliepen.

Menselijke tsunami

De terugtrekking van het Georgische leger uit Gori trok als een menselijke tsunami aan ons voorbij. Deels gemotoriseerd, op dezelfde open vrachtwagens waarop enkele dagen daarvoor nog hele jonge Georgische vrijwilligers waren rondgereden door de stad. Wat nu langs stoof in Gori was het gebroken leger van Saakasjvili, ruige, ongewassen, gefrustreerde – en vaak boze gezichten. Er was geen publiek, de straten waren al leeg.

Ik herinner me ook de gezichten van de Russische soldaten die de kleine VN-post bemanden op de weg tussen Gori en Tschinvali – midden in het slagveld. Vlak voor die post hadden we een Georgisch veldhospitaal gezien. Toen we over die weg reden hadden we geen enkel idee wat er in de oorlog gebeurde. Ook niet of die Russische soldaten misschien zouden schieten. Gelukkig deden ze dat niet. Ze hebben daar waarschijnlijk ook gezeten terwijl de Georgische troepen langsreden. Het was wel een kill zone, maar alleen vanuit de lucht. We lunchten bij een boer met een verse bomkrater in zijn veld. We keken, hulpeloos, naar luid wenende mensen voor de puinhopen van hun kort daarvoor gebombardeerde huisjes.

Omdat de reguliere Russische troepen voorafgegaan werden door ongeorganiseerde brigades ‘vrijwilligers’, bestaande uit plunderende en drinkende Osseten en ander volk, moesten die dag ook de laatste journalisten vertrekken, richting Tbilisi. Althans, dat gebeurde. Er waren nog maar twee auto’s over. Pavel en ik bemachtigden een plek in de achterbak van een kleine Aziatische hatchback waar een stuk of tien man zich in had geperst, vooral Britten. Overal staken ledematen uit.

Vanuit de achterbak zagen we even verderop jonge Georgische militairen uit een in brand geschoten gepantserd voertuig springen. De vlammen sloegen er nog uit, dus lang geleden kon het niet zijn. Iets verderop reden we langs een volledig uitgebrand karkas van een auto. Voor de Russische luchtmacht was het nu vrij schieten. De weg naar Tbilisi, de hoofdstad, was niet zo lang – en deels geheel nieuw. Bij het binnenkomen van de stad aanschouwden we de anarchie van een leger, een stad, een land dat totaal is overgeleverd aan de luimen van een veel machtiger buurland. De Russen zouden – naast Abchazië en Zuid-Ossetië - een ander deel van het land tijdelijk bezetten, maar niet Tbilisi.

Stille getuigen

Tot zover mijn zomermijmering over de Georgië Oorlog die zich precies elf jaar geleden afspeelde. Zij komt uit een parallelle wereld, op drie uur vliegen van hier. De ochtend nadat we het leger zagen vluchten uit Gori, werden RTL-collega Stan Storimans en elf Georgische burgers in die stad gedood door een Russische clusterbom (zo zou Nederlands onderzoek uitwijzen). Een Russische krant suggereerde dat Storimans was omgekomen door een auto-ongeluk. Dat was zes jaar voordat Rusland de Krim annexeerde en voordat vlucht MH17 werd neergehaald – per ongeluk, neem ik aan – met een Russische raket. Dat was op 2,5 uur vliegen van hier.

Na de oorlog ben ik voor de krant vaak terug geweest in Georgië, ook in gebieden die Rusland destijds tijdelijk bezette. Ook naar Gori – dat was veranderd in een vluchtelingenkamp van etnisch gezuiverde Georgiërs. De mensen lieten me niet los, de beelden lieten me niet los. De gezichten. Maar ook: de verlaten, kapot geschoten huizen. Het dak en de muren deels verpulverd, maar het oude gasfornuis kon er nog wel staan, net als het pannetje dat daarnaast aan de huur hing. En het vergiet.

Verlaten huizen, als stille getuigen van vertrokken of gedoofd leven, had ik eerder gezien – en zou ik later nog zien. Eerder in de regio Tver – op maar een paar uur rijden van Moskou (ook Rusland heeft zijn parallelle werelden). Verlaten dorpen. Met huizen waar soms nog het pannetje op tafel stond, en de kaplaarzen bij de deur. Met kranten tegen de houten muren geplakt, als isolatie. In zo’n huis vond ik in de vensterbank een foto van een klein jongetje. Hij keek me indringend aan. Grote ogen, wiens blik (verwijtend?) ik soms nog steeds voel.

In het voorjaar van de Georgië Oorlog had ik verlaten huizen en boerderijen gezien in Gali, het vroeger vooral door Georgiës bewoonde deel van Abchazië – de Georgische provincie die zich na een felle oorlog in de begin jaren negentig onafhankelijk verklaarde. Etnische zuiveringen waren niets nieuws, in de regio.

Daarna zou ik verlaten en verbrande huizen zien in in Osj, Kirgizië – waar een complete Oezbeekse wijk was platgebrand en ontvolkt.

Parallele werelden.

Postzegel van geluk

Maar dit is een rustige zomer, tot dusver. Ik ben net terug uit Moskou, waar ik gelukkig nog vaak vertoef. En waar de politie en de oproerpolitie nu wekelijks vreedzame demonstranten oppakken en soms aftuigen. Begeleid door Orwelliaanse propaganda. Maar ook een plek waar Twitter bruist, waar mensen passies hebben, en dromen, en waar discussies nog ergens over gaan. Van daar is het drie uur vliegen naar Nederland, de thuishaven die getergd wordt door krapte op de fietspaden, en legioenen hoog opgeleide mensen die hun avonden doorbrengen op de bank om via Twitter commentaar te leveren op wat die en die mevrouw of meneer op Nieuwsuur zei, en welke idiote gasten Jinek nu weer heeft uitgenodigd.

Van oorlogen wordt gezegd dat ze leiden tot surrealistische taferelen die de zinloosheid van het bestaan onderstrepen, van langdurige vrede kun je soms hetzelfde zeggen. Waar anderen in Nederland een land aan de sociale, economische en politieke afgrond herkennen, zie ik nog steeds een post-industrieel paradijs, een postzegel van relatief geluk in een oceaan van ellende. Waarin professoren op racefietsen zich boos maken over trage ouderen die niet rechts op het fietspad blijven. En God zag dat het goed was. 

Mijn parallelle werelden bestaan vlak naast elkaar. Soms ben ik zomaar terug in een ziekenhuis waarin mijn wereld instortte – of hoor ik het liedje dat het meisje zong, vijf jaar nadat ze haar moeder verloor in de gegijzelde school van Beslan.

Dan doe ik mijn zonnebril op en loop ik langs het Binnenhof – die prachtige poort naar eeuwen vaderlandse geschiedenis – om daar verslag te doen van de jongste poging van politici om, ik noem maar wat, ervoor te zorgen dat er verder geen of zo min mogelijk Albanezen nog het land binnenkomen. Tja. Iedereen is onderdeel van het grote reuzenrad van de mondialisering, en iedereen loopt er zijn rondjes op zijn al dan niet zelf verkozen molentje.

De schrik zit erin

Schakelen tussen parallelle werelden doen steeds meer mensen – zoals die Kaukasische schone die, vlak voordat het vliegtuig uit het fonkelende Moskou landt in haar geboortestad Machatsjkala, achteloos haar weelderige krullen verbergt in een kleurloze hoofddoek.

Je zou zelfs kunnen zeggen dat iedereen tegenwoordig schakelt tussen parallelle werelden: die van hun onmiddellijke omgeving en die van de immer en overal via beeldschermen aanwezige wereld elders. In zekere zin zijn deze parallelle werelden zich natuurlijk al lang aan het vermengen – slechts heel gedeeltelijk, maar toch zit de schrik er in. Samenlevingen die veel te verliezen hebben – qua vrijheid, welvaart en sociale vrede – richten zich op de defensielijn tegen de instabiele, onvrije, onwelvarende buitenwereld.

Het is een heel begrijpelijk, en ook wel rationeel, sentiment: ‘wij’ hebben veel te verliezen, anderen veel te winnen – en nu de technologie de hele wereld (bijna) tot directe buren heeft gemaakt, weet iedereen dat ook.

Maar valt er verder nog wat te doen, behalve een volwassen immigratiebeleid op poten zetten? Voor mij is het antwoord simpel: verraad nooit je ideeën – ook niet door er niet meer in te geloven. Ons idee, hier in Nederland, is vrijheid, openheid en ja: tolerantie.

‘Autoritaire verleiding’

De tolerantie die aan de Nederlandse volksaard in de 17e eeuw wordt toegeschreven had een in hoge mate pragmatisch karakter. Goed dan. Als wij er dan niet in slagen tolerant te zijn vanuit ons hart – dan maar uit pragmatisme. Wat nu als succes en overleven in de 21ste eeuw gedefinieerd worden door het vermogen tolerant te zijn? Het vermogen diversiteit te omarmen? Het vermogen mensen uit verschillende culturen te laten samenleven én succesvol te zijn?

Diversiteit – door allen, voor allen. Geboren uit tolerantie én pragmatisme. En diversiteit die de meritocratie niet wil vervangen, maar verrijken.

Landen waarin deze open en tolerante houding niet zegeviert, gaan het nog heel zwaar krijgen deze eeuw, vrees ik. Die hele ‘autoritaire verleiding’ is echt geklets voor de boekenbijlages. Landen die hun burgers geen vrijheid gunnen (tot onder de lakens, en tot achter de boerka, en tot aan de keukentafel) hebben geen goudomrande toekomst. Het etnische tribalisme rukt helaas ook op in westerse landen. Net zoals een bevoogdend soort conservatisme, waarin ‘de groep’ (vult u maar in welke) belangrijker is dan het individu. Ook hiervoor geldt: dank u, is eeuwenlang geprobeerd – naar de boekenbijlage ermee, maar nooit in de praktijk toepassen.

Individuele vrijheid, dat is de kern, de rechten die de burger in onze hoek van de wereld in een eeuwenlang gevecht op zijn autoriteiten heeft veroverd. Niet over mekkeren, trots op zijn. Wie bang is voor de parallelle werelden die ons continu voorgeschoteld worden, kan zich troosten met deze gedachte: ideeën zijn sterker dan culturen. En het beste idee is vrijheid. Tot je zelf ophoudt er in te geloven.

Arnout Brouwers is historicus en journalist.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden