OpinieDiscriminatie

Opinie: Ook ik realiseerde ik me pas na het interview met Gerri Eickhof dat hij Surinaamse wortels heeft

Discriminatie en uitsluiting zijn het gevolg van het reduceren van iemand tot één identiteit of ‘meesterstatus’, zo betoogt Leo Lucassen. 

Demonstranten maken muziek voor het gerechtsgebouw in Portland, Oregon, tijdens een demonstratie tegen racisme en politiegeweld. Beeld AFP

Op 31 juli reageerde Volkskrant-columnist Sylvia Witteman op een interview met journalist Gerri Eickhof (Magazine) waarin hij indringend vertelt over zijn ervaringen met racisme. Via haar Twitter-account liet Witteman weten dat ze helemaal niet wist dat Eickhof ‘zwart/bruin/donker/Van Kleur’ was, en voegde er enigszins provocerend aan toe: ‘Dat zal wel weer heel fout zijn van me. Of juist heel goed?’ Niet verbazend kwamen er veel reacties. Velen waren verontwaardigd en betoogden onder meer dat het niet opmerken van kleur juist racisme ontkent en dat Witteman ­selectief kleurenblind is omdat ze als ‘witte’ nooit last van discriminatie heeft gehad.

Hoewel die verwijten niet onzinnig zijn, gaan ze voorbij aan een dieper liggend fenomeen: waarom bepaalde verschillen wel en andere niet als relevant gelden. En daarmee welke gevolgen dat heeft voor, in dit geval, degenen die op grond van hun huidskleur door een deel van de dominante ‘witte’ meerderheid als anders of ronduit racistisch worden bejegend.

Meesterstatus

Om dit mechanisme beter te begrijpen muntte de Amerikaanse socioloog Everett Hughes al in 1945 het ­begrip ‘master status’. Hughes liet zien dat de vele identiteiten die mensen in zich bergen (vrouw, student, vader, postbode, bejaarde, hindoe, immigrant, ‘gekleurde’) niet gelijk zijn en dat sommige, ongeacht de context, de andere in de schaduw stellen.

In dat laatste geval spreekt Hughes van ‘meesterstatus’, waarbij mensen worden gereduceerd tot die ene identiteit. In veel gevallen wordt die ene status (‘zwart’, ‘Jood’) geassocieerd met negatieve beelden en gebruikt om hele bevolkingsgroepen apart te zetten en in extreme gevallen zelfs te ontmenselijken. Zo schreef hij over het dodelijke antisemitisme van de nazi’s en de ‘lynching mobs’ in de VS.

Het racisme dat Eickhof aan den lijve heeft ondervonden is gelukkig minder extreem, maar toch schokkend, schrijnend en helaas spring­levend. Sterker, hij constateert in het ­interview dat met de opkomst van Fortuyn (en later Wilders) racistische uitingen tegen hem, en vast vele anderen, weer zijn toegenomen. In de woorden van Hughes, ‘kleur’ als meesterstatus – hoe ook gepercipieerd en gedefinieerd – heeft de afgelopen decennia aan kracht gewonnen. Niet zo vreemd, als we bedenken dat rechts-populistische partijen immigranten en mensen die afwijken van het dominante autochtone zelfbeeld stelselmatig afschilderen als een gevaar voor de Nederlandse samenleving. Met termen als ‘minderheid in eigen land’, ‘omvolking’ en het ideaal van een ‘blank Europa’ benadrukken zij juist het vermeende essentiële verschil tussen ‘wij en ‘zij’.

Dergelijke xenofobe ideologieën leiden ertoe dat mensen nog verfijnder antennes ontwikkelen om zekere verschillen continu waar te nemen en er vaak ook naar te handelen. Zo meenden veel Nederlanders voor de oorlog ‘Joden’ te herkennen aan hun uiterlijk (‘Joodse neus’, zwart haar) en voor- en achternamen. Dat maakt hen niet meteen antisemieten, maar toont dat men het relevant vond te weten wie Joods was. Dat geldt nog sterker voor ‘kleur’ in de Amerikaanse samenleving met haar ‘one drop rule’, waarbij iedere zweem van een afro-Amerikaanse voorouder bepaalt dat mensen als ‘zwart’ of ‘gekleurd’, en dus niet ‘wit’, worden ingedeeld.

Minder extreem

In Europa bestaat dat onderscheid ook, zij het minder extreem. Hier zijn identiteiten die samenhangen met herkomst meer fluïde. Dat blijkt uit meer sociale interactie (vriendschappen, huwelijken) tussen mensen met verschillende herkomst dan in de VS. De vrij recente immigratie uit andere werelddelen en het ontbreken van een intern slavernijverleden speelt hierbij een belangrijke rol. In Europa werd racisme sinds de 16de eeuw gevoed door kolonialisme en imperialisme, maar doordesemde de samenlevingen in Europa minder fundamenteel dan in de VS. Een gevolg is dat de antennes voor ‘kleur’ minder gevoelig zijn afgesteld en menigeen, zoals Witteman, en ook ik, zich pas na het interview met Eickhof realiseerde dat hij Surinaamse wortels heeft.

Misschien naïef en een bewijs van wit privilege, maar je kunt ook blij zijn dat blijkbaar niet iedereen zo kleurbewust is. Dat maakt de ‘kleurenblinden’ geen betere mensen en betekent evenmin dat zij minder racistisch zijn dan anderen, maar laat wel zien dat dit kenmerk hier minder diep verankerd is, en dat lijkt me aanleiding voor enig optimisme. Omgekeerd zijn onze antennes voor ‘moslims’ weer scherper ontwikkeld dan in Amerika, wat ertoe leidt dat – net als bij het antisemitisme voor de oorlog – uiterlijke kenmerken gecombineerd met Marokkaans of Turks klinkende namen bijdragen aan systematische discriminatie en uitsluiting.

Zo illustreren interview en reactie sociologische en historische inzichten en geven weer meer inzicht in patronen van racisme en ongelijkheid.

Leo Lucassen is directeur van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis en hoogleraar in Leiden.

Leo Lucassen.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden