opinie

Opinie: Nu de terrassen weer opengaan, moeten we voordelen van de lockdowns niet vergeten

De coronalockdowns hadden een positieve keerzijde. Zelfs in het voorspelbare vaderland zit het leven vol verrassingen, schrijft Mirjam Schöttelndreier.

Wandelen in coronatijd, Zuid-Limburg. Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant
Wandelen in coronatijd, Zuid-Limburg.Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Ik heb nu al heimwee.

Met alle zieken, doden en long-covidslachtoffers, met uitgeputte zorgmedewerkers en noem de hele bak ellende maar op, geeft het geen pas te zeggen dat corona óók goeie dingen heeft gebracht, maar toch zijn ze er en ik heb er nu al heimwee naar. Omdat ze vanaf vandaag voorbij zijn en in een vloek en een zucht vergeten zullen zijn.

Zo denk ik in het ultrazure politieke klimaat van nu terug aan de saamhorigheid in het begin, het gedeelde lot, en aan die eindeloze wandelingen waarin ik met die en gene reflecteerde op de abrupte stilstand van draaimolen Nederland, die speeltuin vol klein leed en onschuldig vermaak, van evenveel wekelijkse festivals als dagelijkse ict-problemen, een land met heus ook echte problemen - eerlijk is eerlijk: meestal bij anderen - maar dat op de wereldkaart van ramp en leed toch behoorlijk hoog scoort op ‘niks aan de hand’.

Dat iets als corona kon komen, had ik natuurlijk kunnen weten als ik de wetenschap een beetje op de voet had gevolgd, maar dat had ik niet. Ja, achteraf, nu je het zegt, had ik van die pandemische cassandra-speak wel eens gehoord. ‘Is dit ’m?’, kon ik de gedecideerde Marion Koopmans dus niet nazeggen, maar het was ’m. En in het jaar waarvan ik nooit had gedacht dat het zou komen, was het nogal een wending dat mijn gedragsvrijheid werd ingeperkt tot ge-stappentel in de eigen omgeving. Bizar, een sensatie, maar met de juiste houding: bepaald óók een avontuur.

Vleermuis

Vaak hadden we als doorgewinterde calvinisten, met een zondig glas in de knuistjes, bedacht hoe ons verwende bestaan toch zo lang kon duren. We wisten niet beter of er kon alleen door een dom ongeluk een einde aan komen. Dat het zou komen via een vleermuis aan de andere kant van de wereld? Nee, dat ging onze verbeelding te boven. En toch was het zo. Waarna ik de coronatijd ben ingeslenterd onder het nieuwe tussenkopje: het leven zit vol verrassingen, ook in een voorspelbaar vaderland. En toen werd elke nieuwe, beperkende maatregel een uitdaging: zou ik als onverbeterlijk mensenmens, als doorgewinterde horecabezoeker, als uitjes- en tripjesverslaafde, me erdoorheen weten te slaan? Serieus, het werd een sport.

Let wel, ik ben gezond, heb een baan, (stief)kinderen, vriend, familie, vrienden, een fijn huis en ben niet piep, dus dat telt mee. Ik hoef het huis niet te delen, geen kinderen les te geven of te vermaken, geen ruzies te sussen, te maken of bij te leggen, er is geen huisgenoot die zit te tetteren tegen een scherm en het tuintje is voor me, myself & I. Ik ben gezegend en tel de zegeningen elke dag. Wees niet bang.

Maar toen de bioscoop nog open was en er nog een tijdslot lang drank werd geschonken, had ik er puberale lol in om tips te delen als: ‘Je moet gelijk een dúbbele bestelling doen’. Supergrappig, op je oude dag. En toen in juni, vorige zomer, de eerste lockdown eraf ging, stonden wij immédiatement in een Franse stad die helemaal voor ons was. Enkele maanden later herhaalde het feest zich op een verlaten begijnhof, in een prachtig hotel, tout pour nous. Het advies liever niet met de bus, tram of trein te gaan, was een nieuwe leuke horde: op mijn verse e-bike vloog ik virusvrij alle kanten op, de alweer tot op de straatsteen ontlede eigen omgeving uit.

Lelijke kantoortuin

Natuurlijk willen krapbehuisden naar kantoor, wil je als je jong bent je plek vinden op de werkvloer: snap ik. Maar ik? Waar is het fijner en geconcentreerder werken dan in je eigen werkkamer? Geen stinkende kopieerapparaten, geen storende interventies, geen lelijke kantoortuin, geen last van prikkende ogen omdat het ventilatiesysteem goed zou moeten zijn, maar nooit is. Geen fietstochten door weer en wind, niet met één vermoeide bil op een NS-armleuning, geen metro missen, mijn kantoor is om de hoek, op zachte pantoffels te bereiken. Ik ruik de koffie, en zie ik daar de zon al doorbreken? Oh, ik zou een lofdicht kunnen schrijven op het thuiswerken.

Eenzaam? Nee hoor, het clubje fijne collega’s lacht me elke ochtend vrolijk toe, de communicatiekanalen kronkelen de ganse dag over het scherm, de informatie komt met bakken tegelijk mijn leven binnen. Ik hoor en zie genoeg. Er valt genoeg te lachen ook. En dat met uitzicht op het water links voor, de fluweelboom achter.

Ergerniswekkend, dit enthousiasme? Vergeet niet dat ik écht niet de enige was die heerlijke kerstdagen heeft gehad, met dat beperkte bezoek - hell no! Het gonsde om me heen dat de moeizaam-gezellige kerstdis met iets te veel niet-samenhangende mensen gelukkig ten einde was. De kerstdagen werden intieme etentjes met een echt gesprek en ongecompliceerde gezelligheid. Hetzelfde verhaal hoorde ik bij de avondklok. In plaats van om zeven uur, half acht, aan tafel te schuiven, werd het zes uur (we waren namelijk al thuis, van het werk) en als tussen half negen en vijf voor negen die ene gast opstapt - precies genoeg geleuterd, waarom altijd nog twee uur langer? - is er na het opruimen nog me-time over: feest!

Het dorpse leven

Behalve dit soort ontsnappingen en creatieve omgang met coronaregels die het leven reuze draaglijk maakten in een jaar dat de boeken ingaat als Moeilijk & Zwaar, vond ik iets anders het allerfijnst van die hele coronagevangenis: het dorpse leven. De agenda’s met afspraken tot over een half jaar, het vooruitdenken, het inboeken en doorschuiven en omdraaien, het was er niet meer. Nog nooit zag ik zo veel buren overdag op straat, een groet, een praatje, niet te lang, want we waren aan het werk hè, en verder geen afspraken: iedereen was thuis. Na het werk deden we in winterjas of lenteshirt een biertje buiten. No stress, we zijn er al, het is al goed. En ’s avonds, zon of regen: de bioscoop was thuis. Eindelijk werd het boek op de bank gelezen. Het schetsboek op een hoek van de tafel ging soms echt open. Het was een fijn klein leven, knus, met toch nog vrije stadslucht in de neus.

Let wel: ik zal straks óók van vreugde uit elkaar spatten als ik op een Waddeneiland naar een portie garnalenkroketten op de restauranttafel kijk en dolblij zijn dat ik na een boswandeling weer naar de wc kan, in plaats van de tocht in te moeten korten vanwege buikkrampen; ik droom van de dag dat ik op een Grieks eiland naar een diepblauwe zee kijk in plaats van een leigrijze. En toch heb ik nu al heimwee naar dat ongecompliceerde bestaan van toen. Waarin ik voor de enkele verveelmomenten Amor Towles’ Graaf van Moskou las, de tot decennia ballingschap veroordeelde in een kamertje in hotel Metropol, die zich geen moment beklaagt en in zwierige opgewektheid er zijn gevangen dagen slijt. Wijsheid, voorbij de tegel.

Er is me veel ‘afgepakt’, misschien meer en blijvend dan ik nu besef - door de maatregelen, het aanhoudend virusgevaar, het zal straks allemaal blijken - maar déze kant was er ook. En die zijn u en ik straks onherroepelijk kwijt. Ik zeg het maar even, nu de openterrassenorgie weer begint.

Mirjam Schöttelndreier is redacteur van de Volkskrant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden