Opinie

Opinie: Nepnieuws als verdienmodel is zo erg niet. Maar een kleine groep verspreidt het – of trapt erin

De almacht van algoritmen over onze informatievoorziening valt nogal mee, want burgers kiezen betrouwbare informatiemerken. En maar weinigen geloven nepnieuws.

The Washington Post kopte: ‘Fake News Might Have Won Donald Trump The Election. Beeld AFP
The Washington Post kopte: ‘Fake News Might Have Won Donald Trump The Election.Beeld AFP

Het is een veelgehoorde klacht: de manier waarop big tech onze informatievoorziening beïnvloedt – en specifiek hoe ze omgaat met nepnieuws – ondermijnt de democratie. Tijdens VPRO’s Zomergasten uitte gast Roxane van Iperen die klacht ook. Ze zei: ‘Omdat de grote techbedrijven een verdienmodel hebben neergezet waarin informatie drijfzand is geworden, krijg je een spiegeldoolhof rondom de waarheid [...] Nepnieuws is het verdienmodel. Als wij daar geen antwoord op weten te formuleren, dan moet je niet verbaasd opkijken als we nu, in bijvoorbeeld deze corona-epidemie, met een enorme informatieoorlog zitten.’

Dat wil zeggen: een oorlog waarin ongure actoren via desinformatie ons zicht op de waarheid verdoezelen. Waardoor we dingen vinden en kiezen die we anders – als techbedrijven hun nepnieuwsbestrijding wél op orde hadden – nooit gemaakt zouden hebben. Zo beweerde The Independent dat ‘Fake News Handed Brexiteers the Referendum’ en kopte The Washington Post: ‘Fake News Might Have Won Donald Trump The Election.’

Verdienmodel

Maar hoe kan nepnieuws eigenlijk een verdienmodel zijn? Google en Facebook ordenen berichten en webpagina’s op engagement (clicks, likes, shares). Om advertentie-inkomsten te maximaliseren, moeten informatieleveranciers namelijk zorgen dat jij zoveel mogelijk tijd op hun website doorbrengt. De kans daarop is het grootst als ze je koppen tonen waar je waarschijnlijk op doorklikt.

En artikelen die louter gemaakt worden met als doel om engagement te genereren, hoeven niet waar te zijn om hun doel te bereiken – om volgens die maatstaf goede content te zijn. Dan zijn we er eigenlijk al.

Het lijkt er namelijk op dat onware en opruiende content op engagement-criteria hoger scoort dan genuanceerde, waarachtige analyses. Uit een studie die 126 duizend Twitter-nieuwsberichten vergeleek, bleek bijvoorbeeld dat onware berichten zich sneller én verder verspreiden. En op Facebook genereerde in de drie maanden voorafgaand aan de verkiezingen van 2016 de twintig ‘bestpresterende’ nepverhalen meer likes, shares en reacties dan de twintig populairste ware nieuwsartikelen.

De manier waarop techbedrijven informatie nu organiseren, creëert dus een prikkel voor websites om dergelijke bedenkelijke artikelen te produceren. ‘Hét grote verschil dat de algoritmen van Facebook en Google teweeg hebben gebracht, is dat zij […] een verdienmodel hebben gelegd onder het soort informatie dat voorheen beperkt bleef tot de dorpspomp en de bar: roddel, achterklap en nonsens’, schrijft filosoof Rob Wijnberg dan ook.

Door digitalisering kan nepnieuws sneller vervaardigd en verspreid worden, en je kunt er nog geld mee verdienen ook. Desinformatie komt dus vast meer voor dan voorheen. Veel analisten, zoals de Amerikaanse de filosoof Justin McBrayer in zijn boek Beyond Fake News, maken zodoende gewag van een ‘epidemie van nepnieuws’.

Hoe erg is het?

De vraag die ik wil stellen: hoe erg is dat? Ten eerste: de Nederlandse mediamarkt is grotendeels in handen van verlengstukken van traditionele media, leert onderzoek van het Rathenau Instituut. We bezoeken die websites niet omdat hun artikelen bovenaan staan in zoekopdrachten, maar navigeren er rechtstreeks naartoe. Die mediabedrijven generen dus ‘traffic’ omdat lezers hun merk vertrouwen, niet omdat ze bezoekers lokken met clickbait. Die prikkel om daar zoveel mogelijk van te produceren, is dus nauwelijks aanwezig. Dat zou juist averechts werken.

De almacht van algoritmen over onze informatievoorziening valt verder nogal mee. Maar enkele procenten van de zoek-opdrachten op Google betreffen maatschappelijk-politieke zaken. En maar één op de tien internetgebruikers haalt nieuws vooral via Facebook. Dus zelfs als áls Facebook en Google onze tijdlijnen en zoekresultaten zodanig ordenen dat ze misvattingen in de hand werken, dan nog maakt dat niet veel uit: die platformen zijn niet onze dominante informatiebronnen.

Experimenten

En zelfs als ze dat wel zouden zijn, zijn de gevolgen te overzien. Desinformatie is immers pas gevaarlijk als het wordt geloofd. Maar bijna niemand trapt erin. In experimenten beoordeelt zo’n 5 procent van de proefpersonen een onware kop als waar. Buiten het lab blijkt dat nepnieuwsactiviteit beperkt is. Op Twitter, bijvoorbeeld, is 0.1 procent van de gebruikers verantwoordelijk voor de verspreiding van 80 procent van de desinformatie. Voor Facebook gelden vergelijkbare statistieken.

Er zijn genoeg onopgeloste problemen bij de digitalisering in onze informatiemaatschappij. En die zijn allemaal belangrijker dan het ‘probleem’ van de schadelijke invloed van nepnieuws.

Maarten van Doorn is promovendus filosofie aan de Central European University, Wenen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden