Opinieonderwijsongelijkheid

Opinie: Nee, 20 miljard euro heeft ongelijkheid in onderwijs niet opgelost – en meer geld zal dat ook niet doen

Inefficiënte schoolbesturen en een onveranderd onderwijssysteem houden de (groeiende) ongelijkheid in het onderwijs in stand, hoeveel geld je ook stuurt, betogen Michael Merry en Arwen van Stigt.  

De Willibrordusschool in Oud-Beijerland. Beeld Arie Kievit / de Volkskrant
De Willibrordusschool in Oud-Beijerland.Beeld Arie Kievit / de Volkskrant

‘Om onderwijsongelijkheid te bestrijden is structurele financiering nodig.’ Zulke claims hoor je regelmatig van D66- en PvdA-lijsttrekkers en onlangs van de Amsterdamse wethouder Marjolein Moorman: ‘We moeten structureel investeren in het onderwijs in Nederland.’

Wij zijn ook van mening dat structureel investeren in het onderwijs belangrijk is. In het bijzonder, om de plek waar je wieg staat niet bepalend te laten zijn voor de kwaliteit van het onderwijs dat je geniet. Met andere woorden, om bepaalde kinderen te voorzien van extra middelen zodat de afstand niet te groot wordt tussen hen en kinderen van ouders die dag in dag uit klaar staan om hun belangen te behartigen en op te treden als pleitbezorgers van hun behoeften.

Structurele investeringen hebben zelfs de potentie om ongelijkheid tegen te gaan en tegelijkertijd waardevolle initiatieven te steunen, waaronder: kleinere klassen, waarde-toevoegende instrumenten om prestaties van minderheden beter te meten, huiswerkklassen, coaching (ook buiten schooltijd), verrijkende zomerprogramma’s, tweetalige instructie, oogmeetkundig en audiologisch onderzoek, extra personeel, workshops voor verbinding tussen de wijk en de school, en nog veel meer.

Ongelijkheid verergert

Maar de hamvraag blijft: zijn structurele investeringen voldoende om álle kinderen meer mogelijkheden te bieden om te leren? Het antwoord wat ons betreft is nee. Structurele financiering alleen, is namelijk niet in staat om de belangrijkste ongelijkheden op te lossen of zelfs aanzienlijk te verminderen. Hoe belangrijk ze ook zijn, er is geen sterk bewijs dat drie decennia aan meer dan 20 miljard euro onderwijsinvesteringen, enigszins in de buurt komen van het dichten van de prestatiekloof tussen groepen kinderen. 

Ondanks de zogenaamde ‘gewichtenregeling’ voor achterstandskinderen  – laat staan miljarden die sinds 2002 geïnvesteerd zijn in voor- en vroegschoolse educatie - blijven de systematische ongelijkheden in het Nederlandse onderwijssysteem bestaan en lijken deze zelfs te verergeren.

Ten eerste, grootschalige investeringen hebben de neiging de bestaande structuren, en de daarbij komende problemen, te versterken, in plaats van de aandacht te verleggen naar oplossingen die ertoe doen. Door ontwerpfouten in ‘het systeem’ komen meer investeringen daarom slechts mondjesmaat ten goede aan het oplossen van ongelijkheid.

Geen zicht op uitgaven

Ten tweede, we hebben nog steeds veel te weinig zicht op onderwijsuitgaven. Schoolbesturen krijgen een lumpsum op basis van grove formules (bijvoorbeeld het opleidingsniveau van de ouders) en besturen en scholen leggen summier verantwoording af over hoe geld wordt uitgegeven. Maar schoolsystemen – en niet alleen in Nederland - staan bekend om hun inefficiëntie in het verdelen van financiën, waardoor middelen niet altijd terechtkomen bij degenen die het het meest nodig hebben, bijvoorbeeld kinderen met een handicap. Juist om deze reden telt Nederland duizenden ‘thuiszitters’, de pandemie nog daargelaten.

Grandioze verveling

Ten derde, meer geld voor onderwijs mag dan wel betekenen dat er meer gespecialiseerd personeel komt, nieuwe gebouwen, bibliotheken en computerlokalen, maar het ontkent, en misschien miskent díe behoeften en mogelijkheden om te leren die juist de meest achtergestelde kinderen (nodig) hebben, waardoor deze kinderen alleen nog maar verder achter dreigen te lopen. Dit wordt pijnlijk duidelijk in de tv-documentaireserie Klassen, waar de kijker wordt gedwongen om te zien hoe kinderen zich grandioos vervelen terwijl ze nota bene in de klas zitten.

Pas als we dergelijke systeemfouten aanpakken is er ruimte om wezenlijke aandacht te besteden aan oplossingen voor onderwijsongelijkheid, waaronder verbetering van de lerarenopleiding, inclusief meerdere mogelijkheden voor professionele ontwikkeling; prikkels om meer leraren uit minderheidsgroepen te rekruteren om als rolmodel en loopbaanbegeleider te dienen; het cultiveren van sterke schoolleiders die bereid zijn af te wijken van business as usual; het bevorderen van een positief schoolklimaat gebaseerd op gedeelde waarden en zorgen, iets waarin bijzondere scholen sterker zijn; en last but not least minder ranglijst-fetisjisme en perverse prikkels die concurrentie tussen scholen aanwakkeren.

Opvallend genoeg is voor de meeste van deze voorstellen niet eens een enorme financiële impuls nodig: ze vereisen wel een heroriëntatie in ons denken die vragen om genoemde (en meer) systeem-veranderingen. Pas dan bieden ze een zinvolle oplossing voor onderwijsongelijkheid.

Michael S. Merry is hoogleraar opvoedkunde en onderwijskunde, verbonden aan Universiteit van Amsterdam. Arwen van Stigt is onderwijs onderzoeker bij het Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden