Opinie

Opinie: Nederlander reist niet meer maar minder met de auto

De lage prognoses voor het autoverkeer van de overheid zijn realistischer dan de hoge prognoses.

Foto anp

Het aantal kilometers dat de Nederlander gemiddeld in de auto reist, daalt al meer dan tien jaar. Deze trendbreuk lijkt niet mee te wegen in de prognoses die het ministerie van Infrastructuur hanteert. Het is waarschijnlijk dat de groei van het autoverkeer lager uitkomt dan nu wordt voorspeld, wat belangrijke gevolgen kan hebben voor nut en noodzaak van nieuwe weguitbreidingen.

In 2016 heeft de Nederlander gemiddeld weer iets minder kilometers in de auto afgelegd dan het jaar daarvoor. Dit blijkt uit onlangs door het ministerie van Infrastructuur en Milieu gepubliceerde cijfers. Sinds 2005 is het aantal per inwoner gereisde kilometers in een auto niet gegroeid, zoals vaak gedacht, maar met bijna 5 procent gedaald. Zowel voor als na de economische crisis van 2008 zijn er jaren met een kleine afname geweest.

Dit is een opvallende trendbreuk met de 60 jaar hiervoor. Sinds 1950 is het gebruik van de auto bijna 20 keer zo groot geworden. Tot 1970 kenden de meeste jaren een groei van meer dan 10 procent. Daarna vlakte de groei af en tussen 1990 en 2005 bedroeg die nog maar 0,5 procent per jaar. Nu is er dus sprake van een lichte afname.

Deze afname in autogebruik komt doordat de gemiddelde snelheid van de auto al sinds 1995 niet meer toeneemt. Hierdoor blijft de afstand die men per uur kan afleggen constant. Ook de verstedelijking draagt bij aan de afname in automobiliteit per inwoner: inwoners van verstedelijkte gemeenten leggen gemiddeld 40 procent minder kilometers in een auto af dan de andere Nederlanders. Tot slot gaat ook de sterke groei van het vliegverkeer een beetje ten koste van de tijd die we autorijden.

Al deze ontwikkelingen zetten door en daarom is te verwachten dat het aantal kilometers dat de Nederlander gemiddeld in de auto aflegt stabiliseert of waarschijnlijk zelfs licht daalt. Het verbaast ons dan ook dat de prognoses die de rijksoverheid hanteert uitgaan van 10 procent groei in de komende 15 jaar. Voor zulke groeipercentages moeten we terug tot voor 1990.

Coentunnel tijdens autoloze zondag, alleen een Duitse auto is op de weg, 4 november 1973. Foto anp

De hiervoor besproken cijfers gaan over de gemiddelde automobiliteit per Nederlander, als autobestuurder en passagier samen. Dit is niet hetzelfde als de ontwikkeling van het autoverkeer in Nederland. Het aantal autokilometers is met 7 procent gegroeid sinds 2005. Ook die groei is veel lager dan in de vorige eeuw.

Dat we minder kilometers in een auto zitten en het autoverkeer toch groeit, komt door de bevolkingsgroei en doordat het aantal mensen dat gemiddeld in een auto zit is afgenomen. In de verkeersprognoses wordt ervan uitgegaan dat het gemiddeld aantal passagiers per auto nog veel verder daalt. We vragen ons af of dat wel realistisch is, zeker met de opkomst van deelauto's en klimaatbeleid.

We plaatsen, kortom, twee belangrijke vraagtekens bij de groeiprognoses voor het autoverkeer. Opvallend is dat de lage variant van de prognoses voor het autoverkeer die het Rijk heeft opgesteld, precies in lijn ligt met de trend van de afgelopen 10 jaar, terwijl de hoge variant een trendbreuk naar sterkere groei veronderstelt. De lage prognose van het rijk lijkt ons om genoemde redenen een beter uitgangspunt voor het beleid, dan de hoge prognose die nu leidend lijkt te zijn.

Arie Bleijenberg is auteur van het boek Nieuwe mobiliteit.
Huib van Essen is verbonden aan adviesbureau CE Delft.
Bert van Wee is als hoogleraar verbonden aan de TU Delft.

Meer over