opiniemondkapjesplicht

Opinie: mondkap op of af in stad geeft inzicht in wat werkt

Gemeenten die wel of niet kiezen voor mondkapjesplicht, leren ons wat het effect ervan is op corona, betoogt arts-epidemioloog André Knottnerus.

Rotterdammers en zij die de stad bezoeken moeten vanaf 5 augustus een mondkapje dragen in delen van de stad. Beeld Guus Dubbelman / De Volkskrant

Als bij gebrek aan bewijs beleids­keuzes moeten worden gemaakt, is experimenteren geen teken van zwakte, maar een verstandige stap. Zeker als het gaat om een cruciaal maatschappelijk thema waarover ­bestuurders verschillend kunnen denken. Maar van experimenteren moet je maximaal leren. Dat vereist meer dan de afspraak dat gemeenten ruimte hebben voor lokaal maatwerk binnen algemene richtlijnen. Systematische vergelijking tússen gemeenten kan niet gemist worden.

Want juist vergelijking met andere gemeenten kan informatie opleveren over de vraag in hoeverre het eigen gemeentelijk beleid een specifieke invloed heeft op het gedrag van mensen, de hoeveelheid besmettingen, en het functioneren van de lokale samenleving. Zijn daarin trendverschillen te zien tussen gemeenten die in ­risicosituaties al dan niet kiezen voor verplichtstelling van mondkapjes? En tussen gemeenten met een verschillend, streng of minder streng handhavingsbeleid? Kortom, zijn er ‘best practices’ waarvan álle gemeenten kunnen leren?

In het ideale experiment vergelijk je effecten door het al dan niet introduceren van bepaalde maatregelen door het toeval te laten bepalen, maar dat is in dit geval niet haalbaar. Wat wel kan, is het gebruikmaken van ontstane verschillen tussen vergelijkbare gemeenten, zoals het al dan niet verplicht stellen van mondkapjes in risicosituaties in Rotterdam, Amsterdam, Den Haag, en Utrecht.

Zulk ‘observationeel’ onderzoek is moeilijk, maar mogelijk. En een stuk beter dan alleen subjectieve indrukken, mogelijk gekleurd door het willen bewijzen van het eigen bestuurlijk gelijk.

Het vergelijken van de effecten van verschillend beleid van gemeenten vraagt om een valide algemene ­onderzoeksopzet en gestandaardiseerde metingen op het gebied van gedrag, hygiënemaatregelen, volksgezondheid en het functioneren van de samenleving. Lokale experimenten worden dan onderdeel van een grootschalig nationaal experiment en leerproces, met als doel de meest kansrijke benaderingen in beeld te brengen, met inachtneming van maatwerk. Ook internationale ­beleidsvergelijking wordt dan beter mogelijk.

Lokale variatie op de punten die ­beleidsmatig van belang kunnen zijn maar waarover te weinig kennis is, moet dus gepaard gaan met evaluatie op nationaal niveau. Dat kan gebeuren door een onafhankelijk nationaal onderzoeksteam van medische, sociale en beleidswetenschappers. Daarmee worden alle kansen benut om voortgaand te leren, en dat is van ­extra belang als de pandemie weer ­actiever zou worden en een effectief vaccin lang zou uitblijven.

Het opzetten van een nationaal ­experiment om belangrijke kennis­hiaten in te vullen en beleidsverschillen tussen gemeenten te evalueren, is al eerder mogelijk gebleken.

Denk aan het experiment met een gesloten cannabisketen dat op dit moment in de startblokken staat, gedekt door in relatief korte tijd gerealiseerde wetgeving. Het experimenteren met coronabeleid heeft echter te maken met een nog veel hogere tijdsdruk. Gemeenten, kabinet, en parlement moeten daarmee dus snel aan de slag.

André Knottnerus is arts-epidemioloog en oud-voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden