EssayHet belang van lezen

Opinie: Lezen is onontbeerlijke oefening voor de geest, een democratie kan niet zonder

De boeken van schrijver Günter Grass (hier op de foto in 1999) droegen bij aan Duitslands kritische omgang met de oorlog.Beeld Getty

Een boek lezen veronderstelt dat je je focust en afsluit van de oneliners op sociale media. Zo leer je weerstand te bieden aan politieke manipulatie door types als Trump, betoogt Maarten Doorman.

De Duitse kranten zijn de beste van Europa en misschien wel van de hele wereld. Wat een overdaad aan nieuws en commentaar, aan achtergrond, analyse, economie, sport en cultuur! Voor Nederlandse lezers is het haast te veel van het goede en de meeste jongeren zijn hier zelfs niet in staat om zo’n krant, al was die in het Nederlands, te lezen. Evenmin als literatuur of andere boeken.

Niet omdat ze dom zijn, maar omdat het hun op school steeds minder wordt geleerd. Hoewel uit onderzoeken blijkt dat de leesvaardigheid afneemt en de laaggeletterdheid groeit, halen politici de schouders op. Kennelijk vinden we het niet belangrijk dat iedereen kan lezen. Maar een diepere oorzaak is natuurlijk, dat we niet op kunnen tegen het (bewegende) beeld van onze schermen. Ook oudere generaties niet, we leveren allemaal leestijd in, we verliezen het simpelweg van Google, Apple, Twitter, YouTube en Facebook. En al krijgen we er veel voor terug, het is de vraag of wij kiezen voor ontlezing of dat we het sluipenderwijs laten gebeuren.

Rond 1450 vond Gutenberg de boekdrukkunst uit. Dat moment mag een versimpeling zijn, maar vanaf dan worden teksten dankzij het zetten van letters in lood in toenemende mate verspreid. En gelezen. Aanvankelijk bestond vooral een intensieve manier van lezen. Mensen lazen, vaak hardop, steeds hetzelfde boek: de Bijbel, in Duitsland door Luther in de volkstaal vertaald, of bij ons de moralistische gedichten van Jacob Cats.

In de 18de eeuw begint men extensief te lezen: het ene boek na het andere wordt verslonden. Mensen laten zich meeslepen door de verbeelding of het betoog van de schrijver en het aantal nieuwe titels groeit spectaculair. De eerste bestsellers verschijnen: van Goethes Die Leiden des jungen Werthers (1774) tot Rousseau’s Julie, ou la nouvelle Heloïse (1761). Er kwamen pockets, tijdschriften, kranten. Iedereen las. De bevoorrechte klassen beklaagden zich er over dat koetsiers en dienstmeisjes met de neus in hun boeken zaten.

Vrijheid en gelijkheid

Lezen maakte een democratische maatschappij mogelijk, het was en is de ­belangrijkste motor achter de basis­- waarden van vrijheid en gelijkheid. Burgers begonnen na te denken over wat een rechtvaardige samenleving was en talloze romans wierpen licht op schrijnende sociale ongelijkheid. Volgens de 18de-eeuwse schrijver Georg Christoph Lichtenberg was de wereld meer veranderd ‘door het lood in zetkasten dan door lood in kogels.’ Maar is dat nog altijd zo? Is lezen nog wel van deze tijd? Is het niet zoiets als de pruiken van de 18de eeuw, of het sigaren roken van heren en borduren van dames een eeuw later, leuk, alleen volstrekt uit de tijd?

Weinigen gaan zover, maar dat lezen, en al helemaal het lezen van boeken in een neerwaartse spiraal dreigt te belanden, valt ondanks leesclubs en e-readers toch lastig te ontkennen. Willen we dat? Ik ben natuurlijk vooringenomen, want mijn leven hangt van lezen en schrijven aan elkaar. Toch worden de voordelen van lezen, van boeken en in het bijzonder van literatuur weinig betwist. Het stimuleert de verbeelding en dat levert een intense vorm van plezier op, zoals elke lezer weet. Een goed boek is doorgaans leuker dan de film omdat je de beelden zelf vormgeeft.

Verder brengt literatuur ons een gevoel voor ambivalentie bij. We leren dat mensen zich anders voordoen dan ze zijn, zich anders gedragen dan ze willen (en herkennen het bij onszelf), en dat dingen vaak niet zijn wat ze zijn, net als in het echte leven. Dat gevoel, dat niet alles duidelijk is en nooit zal zijn, is in ­covidtijden behulpzaam, en ook bij ­ander getob. Houdt die ander wel echt van ons, wil ik wel het werk wat ik doe, moet het roer niet om? Je weet het nooit, dat is niet fijn, maar literatuur leert ons met onzekerheid te leven en het zelfs te waarderen.

Boeken en goede kranten zijn onmisbaar voor onze politieke cultuur. Niet alleen als tegengif tegen de oneliners van Twitter en de emotiegolven op andere sociale media, ook omdat in de literatuur ideeën ontwikkeld worden over hoe we met elkaar om kunnen gaan, en over identiteit. Onze eigen en die van anderen. Want de verbeelding oefenen maakt empathie mogelijk en maakt begrijpelijk dat anderen anders zijn en daardoor nog niet minder. Zo brengt het lezen van boeken al eeuwen emancipatie tot stand, doordat we ons verplaatsen in arme sloebers van het interbellum uit de romans van Alfred Döblin of Hans Fallada; in de met hun seksualiteit worstelende hoofdpersonen van James Baldwin of Gerard Reve in de jaren zestig en zeventig; in de hel die Margaret Atwood voor vrouwen bekokstooft in The Handmaid’s Tale (het boek is beter) of de hartverscheurende taferelen van Charles Dickens’ kinderen in het 19de-eeuwse Londen.

Verleden

Lezen helpt ons ook ons te verhouden tot ons verleden, zoals de naoorlogse literatuur heeft laten zien. Duitslands kritische omgang met de oorlog is ondenkbaar zonder de boeken van schrijvers als Heinrich Böll, Günter Grass en Martin Walser. Verder vergroot lezen onze kennis van de binnenwereld op een intensere manier dan film. Het levert munitie voor het maatschappelijk debat over de toekomst van de mens, robots, euthanasie, gender en de rol van de staat. Onze democratie is tot stand gekomen door lezen en schrijven en kan nog steeds niet zonder. Lezen heeft ons vrijheid en rechtvaardigheid gebracht. Lezen ten slotte, vergroot onze woordenschat en draagt zo bij aan het (niet altijd even grote) plezier om met andere mensen om te gaan.

De desinteresse van de politiek in literatuur- en taalonderwijs en in lezen is dan ook onbegrijpelijk en schandalig. Misschien kan aan het bestrijden van die nalatigheid een wat filosofischer argument worden toegevoegd, dat ik nog niet eerder tegenkwam. In toenemende mate worden wij beheerst door de algoritmen van de grote techbedrijven en dat geldt voor jonge mensen des te meer. Hoe stellen we ons daar tegen te weer, zelfs al zijn we ons daarvan bewust?

Daartoe moeten we ons niet tot object van digitale technologie laten maken, een technologie die er steeds beter in slaagt ons via visuele en emotionele prikkels aan zich te binden. Het hand­haven of terugwinnen van onze onafhankelijkheid vereist niet alleen bewustzijn van wat deze technologie met ons doet, maar ook oefening. Die oefening is vaak tegelijk een fysieke oefening. Namelijk stilzitten als je niet mentaal of visueel wordt geprikkeld.

Iedereen kent de verleiding van de smartphone en hoe die je wegtrekt uit een tekst. Je een tijd op tekst concentreren en je dus vanuit eigen geestelijke activiteit op iets richten, is veel moeilijker geworden. Precies deze zowel geestelijke als lichamelijke oefening is nodig om niet de speelbal te worden van commerciële en politieke manipulatie die het zelfstandig denkende individu wegvaagt, en daarmee ons maatschappelijk functioneren in een levende democratie. De Amerikaanse verkiezingen gaan ons een voorproefje laten zien van het soort manipulaties dat Duitse kranten zouden kunnen voorkomen dan wel beteugelen.

Maarten Doorman is filosoof. Dit essay is geschreven naar aanleiding van de Dag van de Duitse taal op maandag 14 september.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden