Opinie

Opinie: Let niet op grammatica bij het centraal examen Nederlands

Bij het centraal examen Nederlands grammaticale fouten afstraffen is een symbolische maatregel en verzwaart de last van de gemiddelde docent sterk en onnodig, schrijven Ben Salemans en Marc van Oostendorp.

 Leerlingen van het Comenius College te Hilversum bij de start van de eindexamens, 2017. Beeld ANP
Leerlingen van het Comenius College te Hilversum bij de start van de eindexamens, 2017.Beeld ANP

Over een paar weken zitten, ondanks de nog steeds wonderlijke tijden, weer honderdduizenden leerlingen in gymzalen door het hele land hun centraal eindexamen te maken. Het is inmiddels een volkssport om daarbij te klagen over het examen Nederlands. Eén ding blijft daarbij onderbelicht: dat docenten geacht worden punten af te trekken voor ‘ongrammaticale’ constructies in de antwoorden die leerlingen geven. Die regel moet zo snel mogelijk worden afgeschaft.

‘Ik wordt professor’

Formeel toetst het centraal eindexamen Nederlands voor havo en vwo slechts de lees- en argumentatievaardigheid van de leerlingen. Andere zaken, zoals spreekvaardigheid, schrijfvaardigheid en kennis van de Nederlandse literatuur, zijn eerder dit jaar al getoetst in de schoolexamens, die de helft van het totale punt uitmaken dat een leerling krijgt.

Een paar jaar geleden besloot toenmalig staatssecretaris Sander Dekker echter dat er in het centraal examen ook gelet moest worden op spelling en grammatica. De reden lijkt vooral symbolisch: het leek vreemd dat leerlingen een hoog cijfer voor Nederlands konden halen met een examen waarin ze ‘Ik wordt professor’ schreven.

De symbolische maatregel heeft de last van de gemiddelde docent sterk en onnodig verzwaard. Een docent moet de eindexamens van zijn of haar leerlingen snel en zeer nauwkeurig nakijken; daarna komt een tweede ronde waarin een collega, een zogeheten tweede corrector, dat werk overdoet. Bij onenigheid dienen de twee correctoren met elkaar te overleggen.

Onduidelijk en onzeker

Dat dit moet gebeuren voor spelling, is tot daar aan toe. De spelling van het Nederlands is wettelijk vastgelegd, de spelling van individuele woorden kun je opzoeken in het Groene Boekje en de regeling voor werkwoordsspelling (de dt-regels) is eenduidig. Het is misschien onzuiver om de spelling ook te beoordelen bij een examen dat over leesvaardigheid moet gaan, maar het is geen groot probleem.

Voor grammaticaregels geldt iets anders. Hier bestaat geen eenduidige autoriteit die precies vastlegt wat wel of niet juist is, niet één wetboek waarin je het definitieve antwoord vindt op al je taalvragen. Er zijn sociale conventies over wat men in zogeheten ‘beschaafde kringen’ zegt, en er zijn instanties die deze conventies duidelijk of minder duidelijk uitleggen, maar zoals dat gaat met sociale conventies (twee keer of drie keer zoenen, als heer de deur openhouden voor een dame?) is er ook veel onduidelijkheid en onzekerheid.

Willekeur

Normaliter is dit in het onderwijs geen probleem. De gemiddelde docent heeft voldoende taalgevoel om zijn of haar leerlingen de conventies goed aan te leren en te beoordelen of zij zich daar aan houden. Het wordt een probleem als het centraal moet en alle leerlingen in heel Nederland erop beoordeeld moeten worden.

Zo zijn de verschillende lesmethoden het niet eens met elkaar én niet met de meest ‘officiële’ bronnen buiten het onderwijs – de websites van Onze Taal en de Nederlandse Taalunie en de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS). Het gevolg: willekeur in de beoordeling.

We noemen twee kwesties. In de lesmethode Nieuw Nederlands van Noordhoff, de marktleider op het gebied van schoolmethodes, wordt de volgende zin fout gerekend: ‘Voetbalkenners beweren dat als de KNVB het profvoetbal niet anders opzet, Nederland nooit meer internationaal zal meetellen.’ Dat en als mogen volgens de methode niet naast elkaar staan, de zin moet herschreven worden tot ‘Voetbalkenners beweren dat Nederland nooit meer internationaal zal meetellen als de KNVB het profvoetbal niet anders opzet’. Niemand zal betwisten dat die tweede versie prettiger leest. Maar is de eerste daarmee ‘fout’? Geen enkele andere bron kent deze regel.

Een ander voorbeeld zal meer mensen wat zeggen: het verschil tussen doordat en omdat. Volgens veel lesmethoden is het onderscheid strikt. Doordat mag alleen gebruikt worden bij oorzaken (‘De straat is nat doordat het heeft geregend’) en omdat bij redenen (‘Ik ben boos omdat je dit hebt gedaan’).

Volgens Onze Taal, de Taalunie en de ANS ligt het anders: bij oorzaken kun je ook omdat gebruiken (‘De straat is nat omdat het heeft geregend’). Moet een examinator bij het eindexamen nu een punt aftrekken voor een constructie die zelfs door de Taalunie, een overheidsorgaan, wordt goedgekeurd en die bijvoorbeeld ook in het NOS Journaal te horen is?

Centraal examineren werkt alleen bij zaken die eenduidig zijn. Anders levert het onnodig werk op voor docenten, frustratie bij scholieren én vrijwel gegarandeerde willekeur bij de beoordeling: de ene scholier krijgt wel aftrek als hij opschrijft dat de straten nat zijn omdat het heeft geregend, de ander niet. Het is daarom van groot belang om deze krankzinnige extra regeling zo snel mogelijk af te schaffen: beoordeel eindexamens Nederlands niet op grammatica.

Ben Salemans is docent Nederlands aan het Sophianum in Gulpen.

Marc Van Oostendorp is hoogleraar Nederlands en Academische Communicatie aan de Radboud Universiteit.

Op het weblog Neerlandistiek gaat Salemans uitgebreider in op het beoordelen van grammatica in eindexamens Nederlands.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden