OpinieTe milde berichtgeving over racisme?

Opinie: Laten we vasthouden aan hoor en wederhoor, ook als het om racisme gaat

Hoe moeilijk het ook is, journalisten moeten bereid blijven om van hun eigen oordeel af te stappen en zo evenwichtig mogelijk verslag doen, betoogt Martin Sommer. Ook over gevoelige zaken als racisme.

Een fotograaf rent door het traangas, bij de demonstraties in Minneapolis.Beeld Reuters

Alle journalisten hebben ooit op hun opleiding geleerd dat objectiviteit niet bestaat, maar dat je er toch naar moet streven. En alle hoofdredacteuren hameren, als het goed is tenminste, op hoor en wederhoor. Een sterk beginsel van waarheidsvinding is het nooit geweest. Wel heel Amerikaans overigens, kranten in de VS waren er altijd heel streng in. Toenmalig adjunct-hoofdredacteur Bert Vuijsje van de Volkskrant vertelde me ooit over de Vietnam-verslaggeving van het platbranden van dorpen met napalm. De correspondent hield na de eerste alinea altijd drie regels vrij voor de ontkenning van de legerwoordvoerder. ‘Insert denial’ − ontkenning invoegen.

Zo had evenwichtige verslaggeving iets van een ritueel, en toch is het van het grootste belang om het zo te houden. Sinds de dood van George Floyd is het debat over de journalistieke beginselen in Amerika terug, in alle hevigheid, en dus kun je er donder op zeggen dat het ook hier zal komen. Collega Michael Persson berichtte over het ontslag van de opinieredacteur van The New York Times, die een rechts stuk had geplaatst van een Republikeinse senator, onder de kop Send in the Troops. Het was rechts, het was hard, en de journalisten, veelal zwart, kwamen in opstand. Zij voelden zich onveilig bij een krant die dit afdrukte. De meningenredacteur legde het loodje, onder aandrang van de eigenaar van de krant, Sulzberger. Die laatste kreeg de vraag of de krant nog objectief wilde berichten. Jazeker, dat wilde hij. ‘Maar niet als het over racisme of mensenrechten ging.’

Wilt u dit artikel liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie.

Veilig

Dat is nu de kwestie. Bij een meningenstuk kun je je afvragen of het publiek moet worden beschermd tegen een kwaadsappig artikel. Je kunt je met nog meer recht en rede afvragen of journalisten zich veilig moeten voelen bij meningen die de krant afdrukt. Veel wezenlijker is het debat over de verslaggeving. In een groot stuk, ook in The New York Times, komt een verslaggever aan het woord die zes jaar geleden schreef over de rellen in de stad Ferguson. Hij kreeg klappen van de politie, moest een nacht de cel in en was zijn schoenveters kwijt.

Zijn slotsom was dat de berichtgeving over witte politiemannen en zwarte betogers tot dan toe veel te slap was, en dat dat kwam door het voorschrift van hoor en wederhoor. ‘Onze kernwaarde moet de waarheid zijn, en niet de perceptie van objectiviteit.’ Het is een opvatting die volgens The New York Times veld wint, ook in de mainstream media, en onomkeerbaar is: ‘Journalistiek wordt persoonlijker, en verslaggevers schrijven op wat zij als de waarheid zien, zonder zich te bekommeren om eventuele conservatieve lezers.’ Dat is ook het standpunt van de zwarte journalist die Michael Persson aanhaalt. Zij zegt: ‘Het vasthouden aan evenwicht, bothsidism, de blik van nergens, werkt niet meer onder de huidige politieke omstandigheden.’ Dat is geen zuinig oordeel. Hoor en wederhoor is niet langer een middel om tot kennis te komen, maar een ideologie geworden. Daar kunnen wij van de oude stempel het mee doen.

Onevenwichtig

Het ligt zeker voor de hand om een zwarte journalist naar een rel in een zwarte wijk te sturen. Hij krijgt allicht meer te horen en kan zich mogelijk beter voorstellen wat zich daar afspeelt. Dat levert een beter verslag op. Maar dat is heel wat anders dan het loslaten van objectiviteit en evenwichtigheid als het om racisme of mensenrechten gaat. Hoor en wederhoor is misschien niet een heel sterk beginsel, maar wie het loslaat, raakt verzeild in een moeras.

Drie weken geleden schreef ik over de weeskinderen die vastzitten op de Griekse eilanden. Ik schreef dat ze geen weeskinderen waren, en dat het overigens de vraag was of zij in aanmerking zouden komen voor een vluchtelingenstatus. Er kwam een brief van een voormalige wethouder in Leeuwarden. Hij had het over ‘tendentieus bijeengeraapte feiten’, die ook nog eens niet relevant waren, omdat het hier kinderrechten betrof. Wie afkomst, leeftijd, gender en achtergrond van de kinderen in het oordeel betrok, aldus de voormalige wethouder, bedreef discriminatie en racisme.

Ik heb hem teruggemaild dat het jammer is dat hiermee de discussie is geëindigd. Want dat is natuurlijk zo. Als het woord racisme valt, gaan de luiken dicht. Ik denk dat de lezer is gediend met feitelijke informatie, en dat ook aan verhalen over mensenrechten vaak twee kanten zitten. Ja, zelfs moeten we er rekening mee houden dat niet iedereen die zich beroept op de mensenrechten, gelijk heeft. Ik moet wel eens denken aan Karel van het Reve, die ooit ironisch schreef: daar roept iemand heel hard, dus die zal wel veel pijn hebben. Maar daar kan de journalistiek natuurlijk geen genoegen mee nemen.

Pretentie

Verslaggevers hebben niet de waarheid in pacht, ook al voelen ze dat zo. Dat is een bedenkelijke pretentie, die ik ook terugzie in de beeldenstorm die nu gaande is – ook daarvan vrees ik dat onze kust niet zal worden gespaard. Veel mensen willen geen verschillende ideeën meer over geschiedenis, vanwege racisme en mensenrechten. Er is nog maar één geschiedenis, de juiste.

Maar wij zijn geen rechters, wij zijn journalisten. Ik begrijp best dat het moeilijk is om Trump niet als racist te omschrijven, of Orbán als dictator in de dop. Dat zijn ze toch, en is het niet onze plicht daarvoor te waarschuwen? Het antwoord is nee, althans niet in de nieuwskolommen. Journalistiek is een onmisbaar vehikel van de liberale democratie, die alleen maar kan functioneren als de burgerij goed geïnformeerd zelf kan beslissen over de publieke zaak. Dat werkt alleen maar als de journalist bereid is van zijn eigen oordeel af te stappen, en inderdaad te beschrijven dat er verschillende kanten aan een zaak zijn. Zelfs die van Trump en Orbán. Zodat de lezer annex burger zijn eigen plan kan trekken.

Ooit was de Volkskrant een strijdblad voor de goede katholieke zaak. Het nieuws moest in het juiste, rooms-katholieke licht worden bezien. Daarom heette het hoofdartikel Ten Geleide, omdat het nieuws niet onbegeleid kon worden geconsumeerd. Dat is lang geleden, en sinds jaar en dag zijn wij blij met lezers die zelf mans genoeg zijn om hun standpunt te bepalen.

Zoals gezegd, wat in Amerika gebeurt, komt onherroepelijk hierheen. Ik verheug me daar niet op. Wat mij betreft moet de krant blijven doen wat hij al jaren doet. Gebeurtenissen verslaan, afstand houden, en bovenal moeite doen om te begrijpen dat er andere opvattingen zijn dan die van ons. Ook al zijn die van ons driewerf de juiste.

Martin Sommer is politiek commentator van de Volkskrant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden