opiniejeugdzorg

Opinie: laat niet-professional toe in jeugdhulp: een zelfgekozen mentor helpt

Jongeren met problemen gedijen bij minder formele hulpverleners en meer ‘natuurlijke mentoren’, betogen Levi van Dam en Suzanne de Ruig. 

Chillroom in gesloten jeugdinstelling Midgaard.Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Vijf jaar geleden vond de transitie jeugdhulp plaats: gemeenten in plaats van het Rijk werden verantwoordelijk voor de uitvoering van jeugdhulptaken. De onderliggende ambitie was: steeds meer gezinnen doen een beroep op de jeugdhulp, dat moet ­anders door kinderen en jongeren eerder de best passende zorg te bieden. Vijf jaar later lijkt niets minder waar. Ondanks rapport na rapport dat uitwijst dat de mentale gezondheid van Nederlandse jongeren goed is, blijkt jaar in jaar uit dat steeds meer jongeren een beroep doen op jeugdhulp: van 1 op de 27 in 2008 naar 1 op de 8 in 2018.

Minder bemoeienis

Wetenschappelijk onderzoek laat dan ook zien dat de behandelmethoden voor kinderen en jongeren in de afgelopen vijftig jaar niet substantieel zijn verbeterd. Een enkelvoudige angststoornis kan inmiddels goed worden behandeld, maar zodra er meer problemen tegelijk optreden, biedt het huidige aanbod geen oplossingen. Terwijl juist gezinnen met complexe problematiek het grootste beroep doen op professionals.

Over die betrokkenheid van professionals meldt de Inspectie Gezondheidszorg Jeugd in haar recentste rapport een onverwachte opbrengst: een deel van de gezinnen had baat bij de rust van minder bemoeienis door hulpverleners in het gezin als gevolg van de covid-19-maatregelen. Wat is er toch aan de hand met de jeugdhulp?

In onze analyse van de ontwikkeling van jeugdhulp in de afgelopen vijfhonderd jaar, zien we diverse betrokkenen. De eersten die zich ontfermden over de zwakkeren, waren in 1491 de welgestelden in zogeheten ‘kinderpakhuizen’.

Toen duidelijk werd dat kinderen, voornamelijk ­wezen, daar niet altijd goed behandeld werden, deed de overheid begin 1900 haar intrede als beschermer van de veiligheid van kinderen. Door verdere professionalisering van de verschillende beroepsgroepen, groeide na de Tweede ­Wereldoorlog en de daaropvolgende decennia het aantal professionals dat zich bezighoudt met ‘problematisch opvoeden en opgroeien’ exponentieel. ­

Helaas concluderen afgelopen ­jaren drie onafhankelijke, door de overheid ingestelde commissies dat sinds die tijd ‘de jeugd wel wordt omringd door zorg, maar niet veilig is’. En dat brengt ons tot de kern van het probleem: meer professionals leidt ertoe dat er minder niet-professionals zijn rond jeugd en gezin. Professionals duwen, onbedoeld, niet-professionals van het toneel. Familieleden, buren en sportcoaches hebben wel een plek in het beleid, maar geen positie in de praktijk. Terwijl opvoeden en opgroeien een praktijk is is van ons ­allemaal.

Een voorbeeld: de 46-jarige Latifa werd, op advies van professionals, door een meisje uitgekozen als mentor. Het meisje was bevriend met de dochter van Latifa. Ze had al meerdere uithuisplaatsingen achter de rug en de jeugdbescherming had haar ouders geadviseerd dat opnieuw te doen, omdat de situatie thuis onhoudbaar was. Ondanks de waarschuwing van buurtgenoten zich niet ‘te bemoeien met de opvoeding van anderen’, doet Latifa dit inmiddels alweer zes jaar.

Soms vraagt ze zich af wat ze precies heeft gedaan. En dat is exact haar kracht: ze was er, altijd en onvoorwaardelijk, en kreeg van de betrokken professionals de positie om mee te denken en te beslissen over de best passende hulp. Ze voegde geen nieuwe dingen toe, maar genoot het vertrouwen van dit meisje, omdat zij een meisje zag met dromen, niet alleen met problemen.

Samenwerking

Een door ons recent uitgevoerde overzichtsstudie naar de samenwerking tussen professionals en een door de jongere zelfgekozen mentor uit de directe omgeving, bevestigt dat de combinatie van kennis van professionals en niet-professionals effectief is bij jongeren met meerdere problemen.

Accountantsbureau EY concludeerde afgelopen maand in de jaarlijkse barometer Nederlandse Gezondheidszorg, dat jeugdhulpinstellingen een flinke financiële klap te verwerken krijgen. Enerzijds door de aanhoudende bezuinigingen, anderzijds door de huidige coronacrisis.

Leidt het samenwerken met zelfgekozen mentoren tot de benodigde kostenbesparing? Eerste inzichten uit Breda, Roermond en Groningen, waar deze aanpak wordt gevolgd, laten inderdaad zien dat in samenwerking met ‘natuurlijke’ mentoren kosten bespaard kunnen worden. In regio Amsterdam-Amstelland loopt hier onderzoek naar.

Echter, op korte termijn vraagt dit juist om een investering van gemeenten en instellingen, om professionals toe te rusten op deze manier te werken. Deze nieuwe benadering betekent namelijk een verschuiving naar een circulaire jeugdhulp waarin we breed kijken, (h)erkennen en benutten wat er al is en geen onnodige bemoeienis hebben met gezinnen.

Die verschuiving moet niet inge­geven zijn door financiële nood, want het gaat tenslotte om kwetsbare ­gezinnen met kwetsbare netwerken. Het effectief stimuleren van sociale steunrelaties in de directe omgeving heeft een duurzaam effect, het ­beschadigen ervan ook.

Levi van Dam is orthopedagoog en wetenschapper UvA; Suzanne de Ruig is systeemtherapeut en oprichter stichting JIM. Van hun hand verschijnt deze week het boek Circulaire zorg, van JIM-aanpak naar een nieuwe kijk op jeugdhulpverlening. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden