OpinieRelschoppers

Opinie: Ik wil mannen die de publieke ruimte al rellend opeisen niet meer begrijpen

Dat je als relschopper naar buiten kunt zonder je druk te hoeven maken of je wel veilig thuiskomt, is een privilege, en enorm arrogant, betoogt Mirjam Linschooten.

Relschoppers in Eindhoven op zondag 24 januari.  Beeld Hollandse Hoogte /  ANP
Relschoppers in Eindhoven op zondag 24 januari.Beeld Hollandse Hoogte / ANP

Sinds zaterdag 23 januari is er een tijdelijke avondklok van kracht. Tussen 21.00 en 04.30 uur mag niemand zich zonder geldige reden op straat begeven. Geldende redenen zijn bijvoorbeeld het uitlaten van de hond, optreden in een livetelevisieprogramma of werk – in het openbaar vervoer, als zorgverlener of maaltijdbezorger. Slimmeriken doken meteen in de handel die ontstond in de jassen van maaltijdbezorgers en ook de hondenleendiensten kregen ineens verdacht veel aanmeldingen. Tot zover de ludieke reacties.

Daarnaast zijn er sinds zondag 24 januari hevige rellen losgebarsten in meerdere steden in het land. Het begon in Amsterdam en Eindhoven, toen nog onder het mom van ‘demonstraties tegen corona’, die bovendien al verboden waren. Vervolgens kwam allerlei volk met weinig goeds in de zin hun niet erg goede ding doen. Benamingen variëren van corona-hooligans, relschoppers, raddraaiers, tot voetbaltuig en – mijn persoonlijke favoriet – ééncelligen. Het is tragisch en angstaanjagend om de beelden te zien.

Zonder uitzondering jonge mannen, in donkere kleding, donkere capuchons en petjes, rennend door het donker. Alsof er ergens een heel blik jongemannen met overdosis testosteron is opengetrokken en over het land is uitgestrooid. Uit alle hoeken en gaten komen ze gekropen en verdwijnen er blijkbaar even snel weer in.

Intussen stenen gooiend, branden stichtend, plunderend en een spoor van vernieling achterlatend. Verbijsterend. Intimiderend. Het is precies dit soort groepen die huivering in me oproepen. Angst. Want uiteraard zou ook ik weerloos zijn tegen hun geweld, wat zich vooralsnog tegen de politie richt, maar waarom zou men zich daartoe beperken?

Als exacte kopieën van elkaar gingen ze los in steden als Den Bosch, Rotterdam, Den Haag, Amsterdam, Zwolle, Haarlem, enzovoort. De ééncelligen. Ze plunderen supermarkten en winkels van eigenaren die slechts lijdzaam toe kunnen kijken. ‘Hoeveel boekwinkels zouden er al geplunderd zijn?', grapt een vriendin. Ik zie het voor me: een groep corona-hooligans die met een stapel filosofieboeken naar buiten komt gerend. Maar ook krijg ik fantasieën over een keiharde aanpak van de politie.

Niet dat zwakke ‘de-escaleren’, schieten met scherp! Keihard er tegenin. Het leger desnoods, tanks! Maar in gesprek met mijn vriend begrijp ik al gauw dat die fantasieën ook niet meer zijn dan dat. ‘Wat gebeurt er als je zo’n jongen doodschiet?’ Het escaleert natuurlijk veel verder. ‘Wat gebeurt er als zo’n tank aan komt rijden? Stel dat iemand ervoor gaat staan?’

De grens tussen machtig en machteloos is soms flinterdun. Daar sta je dan met je machtige wapen, zonder dat je het kunt gebruiken. Zoals het enorme waterkanon wat een lekke band kreeg in Eindhoven, waarna het verder uit de hand liep.

Op televisie spreekt men over de beweegredenen van deze mensen. Maar ik wil ze niet begrijpen. Ik wil niet nog meer ruimte voor ze maken. De manier waarop zij de publieke ruimte in bezit nemen is zo arrogant, zo geprivilegieerd. Door die ruimte in te nemen, nemen ze hem mij af. Daar wil ik geen begrip voor hebben. Mannen als zij hebben al eeuwenlang de publieke ruimte opgeëist, waar het voor alles wat niet heteroseksueel, of man, of wit was gevaarlijk was.

Ik lees over twee jongens die in het centrum van Zwolle ‘even wilden gaan kijken’ en ‘sensatie mee wilden maken.’ Dat is privilege. Dat jij naar buiten kunt, zonder je druk te hoeven maken of je wel veilig thuiskomt. Dat jij voor de lol ‘sensatie’ gaat zoeken, terwijl de ruiten van hard verdiende dromen aan diggelen worden gesmeten. Dat jij niet voor je lijf of leven hoeft te vrezen, terwijl duizenden voor hun zuurstof afhankelijk zijn van apparaten. Dat jij anoniem kunt opgaan in een menigte en een razernij die dankzij jouw aanwezigheid verder aanzwelt.

Het bestaat al te lang. Elk jaar rond Oud en Nieuw keert het terug. Voetbalwedstrijden (pre-corona) produceert vergelijkbaar geweld. Het is een eeuwenoud verhaal. Ik weiger er nog begrip voor te hebben.

Mirjam Linschooten is ontwerper en vertaler.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden