OPINIE

Opinie: De belangstelling voor reljongeren mag wel iets oprechter

Want hun gedrag louter veroordelen of uit de losse pols verklaren past een rechtsstaat niet, betoogt Micha de Winter.

ME’ers op het 18 Septemberplein in Eindhoven, de zondag na de invoering van de avondklok op zaterdag 23 januari. Beeld ANP
ME’ers op het 18 Septemberplein in Eindhoven, de zondag na de invoering van de avondklok op zaterdag 23 januari.Beeld ANP

‘Wat bezielt deze mensen?’, vroeg premier Rutte zich af op 25 januari van dit jaar, twee dagen nadat de avondklokrellen waren uitgebroken. Een goede vraag, want het gedrag van de relschoppers was vanuit elk gezichtspunt ongehoord en ongekend. Helaas was de vraag retorisch, want hij zei erna dat we niet moesten zoeken naar diepere sociologische betekenissen omdat het gewoon om crimineel en verwerpelijk gedrag ging.

Een paar avondklokmaanden en een heel coronajaar, en een kleine veldslag afgelopen zondag op het Malieveld, verder, lijkt de tijd rijp om met enige distantie naar de rellen en de maatschappelijke reacties daarop te kijken. Om herhaling van geweldsuitbarstingen te voorkomen hebben we misschien geen sociologische, maar op zijn minst een pedagogische verklaring nodig die ook richting kan geven aan het handelen ten aanzien van jongeren in deze coronatijd.

In de maatschappelijke reacties op de rellen vielen twee soorten moralisme op, gebaseerd op onwrikbare oordelen over goed en kwaad. Er was de vrijwel unanieme veroordeling door de Tweede Kamer, dat het relgedrag elke rechtsstatelijke grens overschreed. Met als duidelijke remedie: keihard optreden. Het andere ‘wij weten hoe het zit’-moralisme kwam van Herman van de Werfhorst (O&D, 27 januari): de onrust was niet niet los te zien van het uitkleden van de publieke sector, van decentralisatie en bezuinigingen, van het verdwijnen van baanzekerheid en een voor jongeren nauwelijks toegankelijke huizenmarkt. Socioloog Willem Schinkel ging nog verder door te betogen dat de vrijwel unanieme veroordeling van het straatgeweld ‘burgerlijk’ is, omdat de relschoppers zich door de politiek ‘genaaid’ voelen en de onrechtvaardigheid niet langer pikken. Kortom: je kon de rellen zien als constructieve politieke arbeid (Trouw, 29 januari).

Wat mij in beide moralismen stoort, is de geharnaste betweterij. Een burgemeester vertelde me dat het geen zin had naar de motieven van relschoppers te zoeken omdat er nu eenmaal mensen zijn die een maandelijks quotum rel-uren nodig hebben. Dat zal zo zijn, maar rechtvaardigt dat de desinteresse voor mogelijke beweegredenen van alle anderen? En: als jonge mensen zich te buiten gaan aan geweld, dan behoor je je in een rechtsstaat toch af te vragen waarom ze naar dit vreselijke middel grijpen? Let wel, ook ik vind dat de slachtoffers en de publieke ruimte beter beschermd hadden moeten worden en dat de relschoppers voor de rechter moeten komen. Maar hen wegzetten als ratten die je eigenlijk moet verdelgen, zoals ik veelvuldig op sociale media las, leidt uiteindelijk tot de vernietiging van de democratische rechtsstaat.

Het omgekeerde moralisme van genoemde sociologen is gebaseerd op een speculatieve waarheid over de beweegredenen van de relschoppers. Bij gebrek aan onderzoek dat ons daar inzicht in zou kunnen verschaffen, wordt een politieke overtuiging gepresenteerd – die ik overigens in grote lijnen deel – waarvan we niet weten of die echt heeft geleid tot het geweld. Als die relatie zo eenduidig is, waarom waren er dan relatief zo weinig relschoppers? Op zijn minst zou er ruimte moeten zijn voor een diversiteit aan beweegredenen: maatschappelijke onrechtvaardigheid, lekker rellen zoals hooligans leuk vinden, woede vanuit een rechtspopulistische overtuiging (de elite verkwanselt de blanke-rasbelangen), complottheorieën, et cetera.

In feite vellen de twee moralismen een oordeel zonder werkelijke belangstelling voor de groep die ze afschilderen als tuig dan wel als dappere strijders tegen politiek onrecht. In beide genres worden jongeren op één hoop gegooid, staat het oordeel vast en wordt hen geen stem toegekend. Daar schuilt nu precies het probleem dat door covid-19 en de avondklokrellen extra zichtbaar is geworden.

Het gedrag van jongeren, dat door velen als ongehoord en ongekend wordt beoordeeld, komt doordat ze in de samenleving ongehoord en ongekend zíjn. Vlak na het begin van de coronacrisis hoorden we via jongerenwerkers dat er veel woede was: wij hebben het minste kans ziek te worden en toch wordt op ons gejaagd met coronaboetes, we mogen niet meer rondhangen en sporten, het buurthuis en de school zijn dicht. En niemand die ons iets vraagt.

Onze eigen ervaring met jongeren in de marge , bijvoorbeeld in de straatcultuur, geradicaliseerde jongeren en jongeren in jeugdgevangenissen, is dat ze gezagsdragers, journalisten en onderzoekers met vragenlijsten meestal wantrouwen. Als het al lukt, kost het heel veel tijd een vertrouwensband op te bouwen en hun belevingswereld te leren kennen. De meeste onderzoekers hebben die tijd niet en bestuurders praten vaak liever met jongeren die in de pas lopen. Nettoresultaat: van groepen jongeren weten we bijzonder weinig, ze worden in het publieke debat nauwelijks gehoord en ze manifesteren zich met ongepolijst gedrag.

Pedagogen noemen in dit verband het belang van ‘agency’: het vermogen van kinderen en jongeren om bewust en doelgericht te handelen, voor zichzelf te spreken en actief na te denken over hun sociale wereld, hun leven en dat van anderen vorm te geven. Wie het gevoel heeft niet mee te tellen, kan wegzinken in somberheid of onverschilligheid, of gefrustreerd en woedend worden.

Het advies aan beleidsmakers en bestuurders: betrek niet alleen de goedgebekte vergaderjongeren bij het beleid, maar richt je, met hulp van jongerenwerkers, mentoren en andere vertrouwenspersonen, juist op die ongehoorde en ongekende jongeren. Dat is wetenschappelijk bewezen goed voor de mentale gezondheid van die jongeren zelf én voor hun vertrouwen in politiek en samenleving. Bovendien zagen we in een aantal steden, waaronder Utrecht, dat een grote inzet van jongerenwerkers de ook daar dreigende rellen bleek te kunnen voorkomen.

Micha de Winter is sociaal-pedagoog en emeritus hoogleraar aan de Universiteit Utrecht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden