Opinie

Opinie: Autonomie klinkt mooi, maar hoe kun je echt zeker weten dat je wil sterven?

Wanneer iemand zegt te willen sterven is dat een existentiële keuze, waarin altijd enige twijfel aanwezig is. Daarom is het nooit zo zwart-wit als de Coöperatie Laatste Wil stelt, betoogt Paul van Tongeren.

null Beeld Getty Images
Beeld Getty Images

De Coöperatie Laatste Wil (CLW) stelt dat mensen zelf de regie over het eigen leven hebben en dus ook zelf moeten kunnen beslissen over het eigen levenseinde. De middelen die nodig zijn om het leven ‘op een humane manier’ te beëindigen zouden daartoe legaal beschikbaar moeten zijn. Onlangs begon zij een rechtszaak tegen de staat die dat nu nog verhindert en die hulp bij zelfdoding verbiedt.

Er is al veel gezegd over die eis en de juridische mogelijkheden en moeilijkheden daarvan. Ik ga in deze bijdrage enkel in op het belangrijkste en meest principiële argument dat door CLW wordt aangevoerd: het principe van autonomie of zelfbeschikking. Mensen mogen zelf de regie voeren over hun eigen leven en dat impliceert volgens CLW dat ze ook zelf moeten kunnen bepalen of en hoe ze dood willen. Daartoe volstaat de euthanasiewet niet volgens CLW: die stelt immers voorwaarden en gaat daarmee in tegen het recht op zelfbeschikking.

Ik stel vragen bij die stervenswens en bij het principe van autonomie dat die wens ­onaantastbaar lijkt te maken. Niet omdat ik zou willen ontkennen dat die wens vóórkomt. Integendeel! Iedereen kent, uit eigen ervaring of uit verhalen, mensen die niet meer willen leven, die dood willen, voor wie verder leven alleen maar lijden is. En wie met die wens wordt geconfronteerd, ervaart het appèl dat daarvan uitgaat. Je kunt er niet onverschillig aan voorbijgaan. Je moet iets doen, maar wat?

Wat is eigenlijk ‘willen’?

Hoezeer de confrontatie met mensen die zeggen dood te willen ook vraagt om te helpen, te handelen, iets te doen – ze moet ons ook aanzetten om een stap terug te doen, zelf vragen te stellen en na te denken. Wat gebeurt er eigenlijk als iemand zegt dat hij dood wil? Wat is eigenlijk ‘willen’? Wat betekent het om niet alleen binnen je leven iets al of niet te willen, maar dat leven zelf te willen of niet te willen, te willen dat het eindigt?

En wat betekent het dat die wil ook wet zou moeten zijn, autonoom zou moeten zijn; dat ik het recht zou hebben niet alleen zelf mijn wil te bepalen, zelf te bepalen wat ik wil, maar – binnen grenzen – ook te doen of te krijgen wat ik wil? Het gaat me nu niet om die grenzen (uiteraard wordt de verwerkelijking van wat ik wil begrensd door wat mogelijk is en door wat anderen willen), maar om dat willen zelf. Dat lijkt misschien vanzelfsprekend, maar filosofie is nu eenmaal de discipline die problematiseert wat doorgaans als vanzelfsprekend geldt.

Wie gaat nadenken zal ontdekken dat de termen waarin, en de begrippen waarmee wij over onszelf denken er niet altijd al zijn geweest, maar ooit een keer zijn ontstaan. Zo hebben mensen bijvoorbeeld niet altijd al over zichzelf gesproken als over wezens met een autonome wil. Die vrije wil, die niet alleen het vermogen heeft om zelf te kiezen maar ook een recht op zo’n eigen keuze claimt, is pas relatief laat ‘uitgevonden’. In de Griekse filosofie is de mens vooral een denkend en een verlangend wezen, en ‘verlangen’ is iets anders dan ‘willen’.

Eisen van de rede

De vermogens die de Grieken onderscheidden – denken en verlangen – zijn namelijk helemaal niet autonoom. Het denken wordt geregeerd door de wetten van de redelijkheid: als je wilt denken, moet je aan de eisen van de rede gehoorzamen. En het verlangen wordt beheerst door de wetten van de natuur. ‘Van nature’ verlangen we naar eten, drinken en seks, maar ook naar slaap, erkenning, macht, of liefde, allemaal zaken waartoe we nu eenmaal worden aangetrokken.

Maar waar komt dan die idee van de autonome vrije wil vandaan? Het waren de vroeg-christelijke denkers die daarmee op de proppen kwamen. Die Griekse psychologie leverde namelijk een probleem op voor hen: die maakte het onmogelijk om te begrijpen hoe een mens kon ‘zondigen’, dat wil zeggen: willens en wetens doen wat niet goed is, in opstand komen tegen een goede orde. Als de mens wordt geleid door zijn verlangende natuur en door de wetten van de rede, kan hij zich weliswaar vergissen, maar niet tegen beter weten in handelen.

De monotheïstische religies kenden echter de ervaring van dat kwaad, ‘de opstand tegen God’. En om die te begrijpen was een herziening of uitbreiding van de Griekse psychologie nodig. In de Confessiones (‘Belijdenissen’) van Augustinus vraagt de kerkvader zich vertwijfeld af hoe het toch mogelijk is dat hij iets slechts doet zonder dat dat enig doel dient of ergens goed voor is. In die zoektocht ontdekt hij vervolgens de wil als het vermogen dat niet (zoals het denken en het verlangen) door iets wordt geleid, maar dat zichzelf leidt en bepaalt. De vrije wil die hier ‘ontdekt’ wordt, valt dus samen met de claim van autonomie. Willen is niets anders dan zelfbepaling. Het mag vreemd klinken in onze seculiere wereld, maar ons huidige begrip van de autonome vrije wil gaat terug op de religieuze ervaring van de zonde.

Belangrijk verschil

Er is nog een belangrijk verschil tussen de ‘wil’ als autonome zelfbepaling en het ‘verlangen’ dat ons doet streven naar de dingen die ons aantrekken. ‘Verlangen’ is altijd op iets gericht; het wordt door iets bewogen: we beminnen het beminnelijke, we hebben zin in het aantrekkelijke, worden afgestoten door het afstotelijke. Maar de ‘wil’ bepaalt of we aan dat verlangen toegeven of niet. Die ‘wil in strikte zin’ heeft zelf geen inhoud of object, maar is de kracht waarmee we autonoom bepalen of we wel of niet het verlangen volgen.

Maar, en nu komt het, in het hedendaagse taalgebruik en ook in de discussie zoals die nu weer door CLW wordt gevoerd, lijken die twee te gaan samenvallen. Dat is principieel problematisch, omdat daardoor de claim van autonomie wordt gehecht aan het verlangen, dat feitelijk heteronoom is, want aan externe wetmatigheden gebonden. Maar het recht om zelf te bepalen of ik wel of niet mijn verlangen volg, impliceert nog geen recht op datgene wat ik verlang!

Wat levert deze filosofische genealogie van de wil ons op voor de onderhavige kwestie? Een waarschuwing is op zijn plaats: filosofie leidt zelden tot de oplossing van problemen; ze zal eerder zogenaamde oplossingen willen problematiseren. Als ze helpt, helpt ze ons te leren leven met problemen.

Extra probleem

De herkomstgeschiedenis van onze wil leidt in ieder geval tot een extra probleem in verband met de stervenswil. Doorgaans werken ‘wil’ en ‘verlangen’ samen, en willen we datgene wat we verlangen of negeren we het ene verlangen, omdat we de voorkeur geven aan iets wat we nog sterker verlangen. Maar er zijn situaties waarin de ‘wil’ zich niet op dat verlangen kan verlaten. Bijvoorbeeld als we moeten kiezen tussen onvergelijkbare zaken: zoals tussen een langer leven met pijn en ongemak of een korter leven zonder. Of wanneer we niet weten wat de ene of de andere keuze ons zal brengen: wel of niet voor een partner kiezen, wel of geen kinderen.

Maar vooral: als we niet zozeer kiezen tussen verlangens die we nu eenmaal hebben, maar kiezen wie we willen zijn. We noemen dat ‘existentiële-keuzesituaties’. Diezelfde Augustinus die in zijn Confessiones de vrije wil ontdekte, maakt verderop in hetzelfde boek duidelijk dat in zulke situaties, waarin de wil zich niet kan laten leiden door het verlangen, maar het helemaal zelf alleen moet doen, onvermijdelijk de twijfel toeslaat.

Als de autonome wil het helemaal alleen zelf voor het zeggen heeft, blijkt hij innerlijk verdeeld te zijn. Welnu: de keuze tussen leven en dood is misschien wel de meest existentiële keuze die er bestaat, zodat het eigenlijk niet anders kan dan dat daar ook twijfel in aanwezig is, meer dan de parmantige taal van wilsbeschikking en autonomie doet vermoeden. Het is nooit zo zwart-wit als CLW doet voorkomen.

Misleidend

Met betrekking tot de maatschappelijke discussie over hulp bij zelfdoding en de nieuwe rechtszaak, moeten we concluderen dat het waarschijnlijk misleidend zou zijn om deze af te schilderen als een debat tussen voor- en tegenstanders van autonomie. Het probleem zit in die autonomie zelf: als we echt zelf de regie willen hebben, zoals CLW zegt, als we de regisseur van onszelf willen zijn, hebben we geen enkel houvast. En dat is een probleem dat niet kan worden ‘opgelost’, maar dat erkend moet worden.

Maar wat betekent dit voor die mensen die zeggen dat ze dood willen en die daarmee een beroep doen op ons begrip en onze hulp? Ten eerste moeten we waarschijnlijk zeggen dat het niet de dood is die wordt verlangd, maar dat het leven, dit leven, al zijn aantrekkelijkheid verloren heeft. Dat zou ons er ten minste toe moeten aansporen meer te doen om waar mogelijk de condities van dat leven te verbeteren. Zorg voor degene die wil sterven valt niet samen met zorgen dat hij sterft.

Maar ten tweede en vooral moeten we erkennen dat de keuze tussen dood en leven zo’n (existentieel) probleem is dat je niet kunt oplossen. Daarom moeten we voorkomen dat we van mensen die in dat probleem terechtgekomen zijn weglopen, hetzij door te denken dat we hun probleem hebben opgelost, hetzij omdat we het toch niet kunnen oplossen.

Paul van Tongeren is em. hoogleraar filosofie aan de Radboud Universiteit en Denker des Vaderlands.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden