Bericht uit: De Verenigde Staten

Op visavontuur in de Sierra Nevada

Het stond al vier jaar vast dat we zouden gaan vissen. Vanaf het moment dat onze dochter een snelstromend riviertje langs de weg zag in een gebied dat de Indian Wilderness heette, was haar jager-verzamelaarsinstinct gewekt. Ze was 5. Dat doet dit land met je – de natuur is er zo’n essentieel onderdeel van dat je daar zelf deel van wilt zijn, door een berg te beklimmen of een bever te villen. Mijn dochter wilde gaan vissen.

Er kwam wat tussen, maar afgelopen augustus, nadat we de tentjes hadden opgezet, hoog in de Sierra Nevada, hout hadden gesprokkeld voor het kampvuur en hoopvol tussen de bomen hadden gespeurd naar de beren waarvoor we waren gewaarschuwd, zei ze: zullen we nu een hengel kopen?

We waren zeker een uur van de bewoonde wereld, maar er was een soort kampwinkeltje en daar stapten we naar binnen. Ik had geen idee waarnaar ik op zoek was. De laatste keer dat ik had gevist, was in 1984 in de Vecht bij Ommen, toen mijn haakje vast kwam te zitten, het enige haakje dat ik had, en ik het troebele water in moest om het los te maken, en de draad begon te bewegen maar ik niet terug durfde vanwege de schampere mannen op de kant, mannen met viskoffers zo groot als gereedschapskisten. Met mijn hand volgde ik de draad en kwam bij iets glads, iets pulserends, een gruwelijk diepwaterdier. Maar mijn schaamte was groter dan mijn angst en dus rukte ik eraan tot het met een schok meegaf en ik achterover in het water viel, met in mijn hand iets wat een halve paling bleek te zijn.

Vier jaar nadat de dochter van Michael Persson had aangegeven dat ze graag wilde gaan vissen, was het zover. Beeld Michael Persson

Voor de deur van de kampwinkel stond een pick-uptruck in camouflagekleuren met een Maga-sticker en binnen zat een familie van vier zwijgend ijsjes te eten. De winkel had naast chips en wc-papier een surrealistisch assortiment aan visgerei dat was uitgestald in zo’n toonbank waarin juweliers hun horloges leggen: haakjes en lood en draad en kleurige nepinsecten in alle soorten en maten, maar waarin ik niets herkende van wat ik in 1984 in de Vecht had achtergelaten. Waar waren de dobbers?

Mijn dochter keek me verwachtingsvol aan.

Ik pakte de een na goedkoopste hengel. Er zat draad op, dat eindigde met een plakbandje. Ik keek de verkoopster aan, een jonge Aziatische vrouw die vriendelijk knikte. ‘Kunt u me geven wat hierbij hoort?’, vroeg ik.

Ze keek van mij naar de hengel.

‘Aisha! Wakari masen!’, riep ze naar een keukentje daarachter. Natuurlijk. Een stagiaire, aan een doodlopende weg op drie kilometer hoogte.

‘No!’, riep iemand terug, en zo stonden we tegenover elkaar. ‘Heeft u ook marshmallows?’, vroeg ik toen maar. Ik moest iets. Voor het kampvuur.

‘Aaaah! Marhsmallow!’, zei ze. Ze boog zich onder de toonbank en legde een zakje voor me neer, waar minuscule balletjes in zaten. ‘Marshmallow! Fish love!’

Er landde een hand op het zakje. Ik keek opzij. Het was de man die een ijsje had staan eten. ‘Deze hebben we niet nodig’, zei hij tegen de verkoopster. Vervolgens hurkte hij voor de toonbank en begon dingen aan te wijzen: die, die, die, drie van die. Hij wees naar een doosje met lichtgevend groen spul. Hij pakte mijn hengel, zette hem terug en pakte een andere, goedkopere hengel. ‘Heeft mijn zoon ook. Een knop in plaats van een beugel. Veel makkelijker voor kinderen.’ En toen pakte hij een zak échte marshmallows uit een schap.

George, zoals hij heette, knoopte het hele systeem aan elkaar. Het draad zou met lood op de bodem komen te liggen, waarna het haakje naar boven zou komen drijven – had ik nog nooit gezien. Terwijl hij bezig was vertelde hij hoe hij van deze bergen hield. ‘Dat graniet in de ochtendzon. En intussen wachten tot je beet hebt. Dat mag van mij uren duren.’ Zijn vrouw en kinderen keken goedkeurend toe. Toen hij klaar was, zag ik zijn ijsje gesmolten op een bord liggen.

We hadden hem willen terugzetten, de forel die mijn dochter de volgende dag ving, in een paradijselijk meertje na een tocht door de bergen, maar we konden hem niet van het haakje krijgen. Amateur, vervloekte ik mezelf. Maar toen zag ik het: de drie punten zaten met hun weerhaakjes muurvast in de keel. Dit was geen haakje voor vissers die vissen terugzetten. We stopten de vis in een leeg broodzakje, namen hem mee terug en legden hem ’s avonds op het rooster. Nog nooit zo’n forel gegeten, had ik tegen George willen zeggen. Maar misschien wist hij dat al.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden