Essay Vergiffenis

Op vergiffenis hoeft IS-strijder Yago R. in Nederland niet te rekenen

Op vergiffenis hoeft IS-strijder Yago R. in Nederland niet te rekenen. De roep om vergelding is sterk.

Beeld Alexandra España

Misschien moet IS-veteraan Yago R. zich gelukkig prijzen dat hij in Koerdische detentie geen Nederlandse kranten kan ontvangen. Hij heeft dus geen kennis kunnen nemen van de algemene onwil in het land van herkomst om hem terug te halen – al was het maar om hem de gevangenisstraf van zes jaar te laten uitzitten waartoe hij vorig jaar bij verstek werd veroordeeld. Geen Kamerlid toonde zich ontvankelijk voor zijn argument dat Nederland toch zou moeten willen meewerken aan de tenuitvoerlegging van de straf die een Nederlandse rechter hem heeft opgelegd. En medelijden wist hij al helemaal niet te wekken met zijn verzekering dat hij was misleid, dat hij echt geen enkel plezier heeft beleefd aan zijn keuze voor IS en dat hij spijt heeft.

De discussies waartoe zijn interviews met de BBC en de Volkskrant aanleiding gaven, gingen vooral over de vraag waar en door wie hij zou moeten worden berecht. En over de graad van verdorvenheid van zijn activiteiten. Maar nauwelijks over de vraag of Nederland misschien ook verplichtingen heeft tegenover deze verdwaalde onderdaan. En zeker niet over de vraag of een jongeman van 26 die nu al moet terugzien op een leven van mislukkingen en verkeerde keuzes niet diep te betreuren is.

Het odium van landverrader

Yago R. is dader. In de ogen van sommigen misschien wel de ultieme dader: bekeerd tot de islam en deelgenoot van een bloeddorstige terreurgroep die het op de hele niet-islamitische wereld – en dus ook op óns – had gemunt. Een wolf in wolfskleren die zich van zijn landgenoten – ketters in zijn ogen – heeft afgewend. Wat ook niet helpt, is dat hij een Nederlander is. Marokkaanse Nederlanders die naar IS-gebied afreisden, werden door veel Nederlanders toch niet als ‘een van ons’ gezien. Maar aan een Nederlander die deze dwaalweg aflegt, kleeft het odium van landverrader.

Die landgenoten hebben de gevolgen van zijn keuze weliswaar niet rechtstreeks gevoeld, zij wanen zich evengoed slachtoffer, of potentieel slachtoffer, van Yago R. En in die hoedanigheid eisen ze het recht op om hem te vonnissen. In zekere zin heeft Yago het hun ook wel makkelijk gemaakt: hij had spijt van de gevolgen van zijn daden voor zichzelf en zijn omgeving, maar niet van die keuzes zelf. En ook niet van zijn huwelijk met een 15-jarig meisje dat de beginselen van IS van harte is toegedaan. Maar boetvaardigheid is geen vereiste voor clementie. Vandaar de blinddoek van Vrouwe Justitia.

De vraag is of Yago R. meer mededogen zou hebben gewekt met een uitgebreid – al dan niet gemeend – vertoon van schuld en berouw. Want de samenleving lijkt daarvoor minder gevoelig dan vroeger. ‘Je bent dader of je bent slachtoffer’, zegt Henri Beunders, hoogleraar ontwikkelingen in de publieke opinie aan de Erasmus Universiteit en auteur van het boek Hoeveel recht heeft de emotie? over het veranderde strafrechtklimaat in Nederland. ‘Alle nuances daartussen zijn verdwenen.’ Dit is een reactie op de al te begripvolle houding tegenover daders in de jaren zeventig, toen vooruitstrevende criminologen betoogden dat de samenleving uitnodigde tot crimineel gedrag, en dat daders daarvoor niet gestraft zouden mogen worden. Er gingen stemmen op voor afschaffing van het strafrecht. De gevangenissen kregen open en halfopen afdelingen, waar gedetineerden werden voorbereid op hun terugkeer in de maatschappij. Strafzaken werden toenemend afgedaan met een geldboete. Werkstraffen en leerstraffen golden als het betere alternatief voor gevangenisstraffen – waarbij criminologen ervan uitgingen dat gestraften bereid waren zich aan ‘zelfdwang’ te onderwerpen. Het kwam voor dat moord met tien maanden gevangenis werd bestraft.  Overigens nam de criminaliteit in die jaren wel sterk toe.

‘Sindsdien hebben we een beweging van een halve cirkel gemaakt’, zegt Beunders. ‘De dader is verworden van een arme sukkel die op het rechte pad moet worden geholpen tot een duivel, een onverbeterlijk monster. Die moet worden opgeborgen in een hok waarvan je de sleutel weggooit. Op dit moment zitten meer mensen een levenslange gevangenisstraf uit dan in de hele twintigste eeuw.’

Vergiffenis heeft zijn betekenis verloren

Daarin weerspiegelt zich meer dan een veranderende mode alleen. De nieuwe strafmoraal is ook het gevolg een seculariseringsproces waarbij een begrip als vergiffenis – essentieel in het strafrecht van een fatsoenlijke samenleving – zijn betekenis heeft verloren. Zeker: wij, verlichte mensen, hebben veel eerbied voor mensen die vergiffenis belichaamden: Nelson Mandela, Jezus van Nazareth of de Duitse bondskanselier Willy Brandt, die in 1970 knielde bij het getto-monument in Warschau als boetedoening voor de nazimisdrijven. En we zijn, zegt Beunders, ook niet te beroerd om vergiffenis te vrágen voor onze eigen daden (al gebruiken we daarvoor misschien een ander woord). Maar dit gaat niet gepaard met het vermogen om vergiffenis te schenken. Zeker niet aan mensen die het geschenk van vergiffenis in onze ogen niet hebben verdiend.

Let wel: in onze ogen. Want het schenken van vergiffenis laten wij – mondige, geëmancipeerde burgers – alleen nog aan de rechter over als die een beetje naar ons pijpen wil dansen. ‘Het slachtoffer eist het recht op om te bepalen of er sprake zou kunnen zijn van vergiffenis en welke straf zou moeten worden opgelegd’, zegt Beunders. ‘En de wetgever is hem ter wille geweest door hem spreekrecht toe te kennen. Onbeperkt spreekrecht zelfs. Het slachtoffer souffleert de rechter als nog niet vaststaat dat de verdachte de dader is. De beoordeling van een misdrijf is een heel eind opgeschoven van de overheid naar het slachtoffer of diens nabestaanden.’

Met deze welwillendheid tegenover het slachtoffer, die sinds 2016 in de wet is verankerd, bijten we uiteindelijk in onze eigen staart, denkt Beunders. ‘Want onbeperkt spreekrecht eindigt in onverzoenlijkheid. Het slachtoffer heeft volgens de populaire opvatting levenslang gekregen, dus dan moet de dader ook minimaal levenslang krijgen. Daarmee kies je voor de permanente rol van slachtoffer. Je sluit daarmee ook de positieve gevolgen af van vergiffenis en resocialisatie van de dader. Want die stellen niet alleen de dader in staat om verder te gaan met zijn leven, maar ook het slachtoffer.’

Geprivatiseerde sentimenten

Enkele decennia geleden werd de grens van vergiffenis gemarkeerd door de ernstigste oorlogsmisdaden. ‘Het is niet mogelijk het onvergeeflijke te vergeven’, zei filosoof Jacques Derrida. En mensen als nazi-jager Simon Wiesenthal meenden dat na Auschwitz vergiffenis niet meer mogelijk was. Maar gaandeweg zijn we steeds meer vergrijpen onvergeeflijk gaan vinden omdat we ons er persoonlijk door bedreigd of gekwetst voelen. ‘Vroeger werden bepaalde gedragingen door een hele gemeenschap afgewezen’, denkt Beunders. ‘Nu zijn die sentimenten geprivatiseerd en is het strafrecht geëmotionaliseerd.’

Ook in het verleden kon onder invloed van heftige nationale emoties de grens van vergiffenis overigens grillig verlopen. De vrijlating van de ‘Drie van Breda’, drie Duitse oorlogsmisdadigers die na de Tweede Wereldoorlog tot levenslange gevangenisstraffen waren veroordeeld, werd verijdeld door betogers die massaal tegen dit voornemen van minister van Justitie Dries van Agt te hoop liepen. De gewelddadige beëindiging van de treinkaping bij de Punt door Molukse activisten, in 1977, beantwoordde aan de alomtegenwoordige gevoelens van wraak – hoezeer het kabinet ook probeerde die te temperen met de verzekering dat het de dramatische ontknoping door het inzetten van militairen als een nederlaag beschouwde.

Voor Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog bij de Waffen SS hadden gediend, en daarmee stateloos waren geworden, sloeg de stemming in betrekkelijk korte tijd om van wraak naar vergeving – zij het dat die nooit onvoorwaardelijk zou worden. In 1941 schaarde koningin Wilhelmina hen nog onder ‘de landverraders waarvoor in een bevrijd Nederland geen plaats meer zal zijn’. Daarmee vertolkte zij het gangbare sentiment in het bezette vaderland. Van het begrip ‘Bijltjesdag’ – de afrekening met fout geachte Nederlanders – ging een grote verlokking uit. Wat niet wegnam dat collaborateurs in mei 1945 juist massaal werden geïnterneerd om hen te behoeden voor lynchpraktijken die elders in bevrijd Europa gangbaar waren.

Aanvankelijk verbleven zo’n 150 duizend Nederlanders in ongeveer 200 kampen, vaak onder erbarmelijke omstandigheden. Ongeveer zestig geïnterneerden, overwegend oud-SS’ers, zouden in de periode onmiddellijk na de bevrijding ‘onder verdachte omstandigheden’ om het leven zijn gekomen. Reden voor het noodparlement om een onderzoek in te stellen naar het regime in de kampen. Daarna deden de parlementaire enquêtecommissie ‘regeringsbeleid 1940-1945’ en een speciale commissie onder leiding van A.M. baron Van Tuyll van Serooskerken onderzoek naar de leefomstandigheden in die kampen. Toen de commissies hun aanbevelingen presenteerden, waren de kampen al goeddeels ontruimd en was het gros van de geïnterneerden in vrijheid gesteld. Intussen had koningin Juliana bij haar regeringsverklaring in 1948 de wens uitgesproken ‘dat de politieke delinquenten te eniger tijd weer in onze samenleving zouden worden opgenomen’.

Voor sommige oud-SS’ers was de reïntegratie op dat moment al een feit. Dat gold bijvoorbeeld voor degenen – enkele tientallen – die zich als vrijwilliger bij de Koninklijke Landmacht meldden om te vechten in voormalig Nederlands-Indië en, later, Korea. In de regel tot tevredenheid van hun meerderen. ‘Ik heb liever jongens die in Rusland zijn geweest dan het zooitje dat we hier vaak tegenkomen’, zei een officier. Een Korea-veteraan die nog tegen de Duitsers had gevochten, was even gul in zijn lof: ‘Het waren geweldige soldaten en zeer goede kameraden.’ Een van die soldaten, oud-SS’er Jan Niessen, schreef later: ‘De meeste jongens waren blij als ik meeging op patrouille. Niet om te pochen, maar ik had toch meer ervaring dan zij.’

Het is twijfelachtig of de christelijke geloofsartikelen van genade en vergeving daarbij een doorslaggevende rol hebben gespeeld. De mildheid die veel SS-veteranen kort na de oorlog ten deel viel, zal vooral zijn voortgekomen uit het feit dat de wederopbouw alle aandacht opeiste, en uit de algehele behoefte aan normaliteit. Een lid van de nationaal-socialistische organisatie Studentenfront vertelde dat hij na het uitzitten van zijn straf, in 1947, weer zonder plichtplegingen werd opgenomen in de vriendenkring die hem tijdens de Duitse bezetting had verstoten. ‘We zwegen over de dingen die ons scheidden, en we koesterden de herinneringen die ons bonden.’ Het wrange is dat die mentaliteit de reïntegratie van collaborateurs heeft bespoedigd, terwijl ze juist bijdroeg aan de desinteresse in het lot van de teruggekeerde Joden.

Maar de gewezen SS’ers stonden mentaal wellicht ook minder ver af van hun landgenoten dan mensen als Yago R. op dit moment. De oostfrontstrijders onder hen hadden gevochten tegen het communisme, en daaraan ontleenden veel Nederlanders toch een zekere zielsverwantschap. Over oostfrontstrijders werd, ook door rechters, dan ook vaak positiever geoordeeld dan over SS’ers die tegen de westerse geallieerden – ‘onze onmiddellijke bevrijders’ – hadden gevochten.

Zo veel begrip valt Nederlanders die zich bij de koppensnellers van IS hebben aangesloten niet ten deel. Zij hebben tegen het Westen, en dus tegen óns gevochten. En de slachtoffers zijn niet bereid daarvoor verzachtende omstandigheden aan te voeren. In kranten en op sociale media benutten zij hun onbeperkte spreekrecht om duidelijk te maken dat voor Yago R. en de zijnen ‘in Nederland geen plaats meer zal zijn’.

Meer lezen over Yago R.

Wie is Yago R.? De veroordeelde Syriëganger die graag zou terugkeren naar Nederland, radicaliseerde in zijn Arnhemse jeugdjaren. Hij was een buitenbeentje en bezocht de Al Fath-moskee. Daar zeggen ze hem niet te kennen.

In dit interview doet Yago R. zijn verhaal over zijn tijd als IS-strijder: ‘We vroegen ons constant af: komen we hier nog wel levend uit?’

Eigenlijk zouden IS-strijders moeten worden berecht in Syrië en Irak, zeggen experts, maar daar zitten wel erg veel haken en ogen aan. ‘Een internationaal tribunaal, geflankeerd door lokale rechtbanken, zou nog de minst slechte oplossing zijn.’

Column Bert Wagendorp: IS-strijder Yago R. heeft veel weg van de verwende westerse millennial.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.