ColumnSylvia Witteman

Op het ijzige perron van Krommenie hoorde ik een klap en een wanhopige kreet

O p het station hoorde ik twee Duitse vrouwen verheerlijkt spreken over de Zaanse Schans die ze zojuist hadden bezocht, met al die schattige huisjes (‘süße Häuschen’). Ik ben dol op schattige huisjes, ik was nog nooit bij (op? aan? in?) de Zaanse Schans geweest en ik had een vrije middag; het besluit was snel genomen. Zeven minuten later zat ik al in de rijdende trein en keek door het raampje naar de kille mistflarden.

Het was een boemeltje. We stopten in Sloterdijk, Zaandam en Koog aan de Zaan (waar Hendrik Haan in een grijs verleden nog eens de kraan heeft open laten staan), maar ten langen leste reden we toch station Zaanse Schans binnen. Ik stapte uit en keek om me heen. Dichte mist. Nergens een schattig huisje te bekennen. Ik rilde van de kou, in mijn dunne jas. Hoe ver zou het lopen zijn naar de schattigheid? Vast heel ver. Instinctief deinsde ik achteruit, terug de warme trein in, die onmiddellijk weer vertrok. Een mens wórdt geleefd.

Daar zat ik dan, inmiddels geheel doelloos. Volgende station: Wormerveer. Daar dan maar uitstappen? Ik ken iemand die er vrij onlangs naartoe is verhuisd, en daar elke dag spijt van heeft. Nee, in godsnaam maar blijven zitten, besloot ik, en verder reden we alweer, in de richting van Krommenie. ‘Krommenie is vooral bekend van de linoleumfabriek. Die staat tegenwoordig echter in het naburige Assendelft’, las ik op mijn telefoon. Geen wapenfeit van jewelste, maar ooit moest ik die trein uit.

Daar stond ik weer. Op het ijzige perron van Krommenie, naast een koffiestalletje dat pochte met ‘verse bonenkoffie’ en ‘echte chocolademelk’, alsof de rest van de wereld het met twee keer opgewarmd surrogaat van beukennootjes of cichorei moest doen.

Net toen ik er wilde binnenlopen, hoorde ik een klap en een wanhopige kreet. Ik draaide me om en zag een dik meisje van een jaar of 14 met grote, bange ogen haar gevallen telefoon op­rapen. Het glas was verbrijzeld. ‘Nee...’, kreunde ze. Bezwerend drukte ze op knopjes, maar het scherm bleef donker. ‘O nee...’, zei ik. Ik bereidde me voor op het ergste. Het kwam.

Het meisje begon te huilen, met grote, kinderlijke uithalen. ‘Ik had ’m pas nét’, snikte ze. ‘Van mijn oppasgeld gekocht... met nog 100 euro van oma...’ Ik sloeg onhandig mijn arm om haar grote lichaam. Ze rook naar vanille. Ik grabbelde in mijn zak. 40 euro. Na lang aandringen nam ze het aan, maar wat is nou 40 euro? Ze bleef ­huilen, huilen, alsof er nooit een eind aan zou komen.

Ik had er tóch uit moeten gaan, bij de Zaanse Schans. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden