Column Sylvia Witteman

Op een kwade dag besloot ik een slécht opstel te schrijven, precies zoals meester R. altijd had uitgelegd dat het níét moest

Het gaat slecht met de studie Nederlands. Zowat niemand heeft daar meer zin in, en als het zo doorgaat houden we geen neerlandicus meer over. Nu kun je daar iets of iemand de schuld van geven, de globalisering bijvoorbeeld, of het kabinet-Rutte, maar het is zo vermoeiend om altijd maar weer ergens verontwaardigd over te zijn. Daarom vroeg ik me vooral af: waarom ben ik indertijd eigenlijk wél Nederlands gaan studeren?

Ik dacht terug aan meester R. Hij was mijn onderwijzer toen ik 11 was en besteedde veel aandacht aan wat men tegenwoordig ‘creative writing’ noemt: indertijd heette dat ‘opstel’. Zo’n opstel moest dan bijvoorbeeld gaan over een huisdier of het onlangs genoten schoolreisje. Meester R. rookte zijn pijp terwijl de hele klas braaf zat te pennen, hij nam al die opstellen mee naar huis en de volgende dag las hij de twee of drie beste aan de hele klas voor. ‘Snappen jullie waaróm dit goed is?’, vroeg hij daarna, en dan legde hij het uit.

Algauw kreeg ik een zekere behendigheid in het schrijven van opstellen. De mijne werden dan ook geregeld voorgelezen en ten voorbeeld gehouden aan de rest van de klas. Het gevolg was uiteraard dat die klas mij een uitslover vond, en bovendien een brillenjood.

Ik was 11 en verlangde er uit alle macht naar om niet in negatieve zin op te vallen. Op een kwade dag besloot ik dan ook maar een slécht opstel te schrijven, precies zoals meester R. altijd had uitgelegd dat het níét moest. Stijlbloempjes, ‘en toen, en toen, en toen’, en een rinkelende wekker op het eind, dat ronkende cliché waardoor duidelijk werd dat de ongeloofwaardige gebeurtenissen ‘maar een droom’ waren.

Meester R. las mijn opstel niet voor. Hij nam me apart en droeg me op een nieuw opstel te maken. ‘Een gééstig opstel’, benadrukte hij. Heeft hij enig idee gehad wat me bezielde?

Ik schreef een nieuw opstel. Ik deed mijn best om het zo geestig mogelijk te maken. En dat lukte. Toen meester R. het de volgende dag voorlas, moest de hele klas telkens lachen. Het gevreesde ‘Snappen jullie waaróm dit zo goed is?’ liet hij weg. Daar ben ik hem nog steeds dankbaar voor.

Daarna was ik nog steeds een brillenjood, maar wel een brillenjood die mensen aan het lachen kon maken. Een uitslover werd ik niet meer genoemd. Voor het eerst in mijn leven kreeg ik te maken met het begrip ‘respect’.

Ik ging jaren later Nederlands studeren, in de hoop dat het er daar vooral om zou gaan goed te leren schrijven, net als in de klas bij meester R.

Maar dat was niet zo. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.