Column Jasper van Kuijk

Op de eerste schooldag in Zweden gieren de zenuwen door het huis

Een paar weken voor we naar Zweden verhuisden zei Vijf ineens: ‘Ik wil daar niet naar school, want het is vakantie.’ Geen speld tussen te krijgen. Op vakantie gaan we vaak naar Zweden, dus als we in Zweden zijn is het vakantie. En vakantie = geen school. Het feit dat onze jongens geen van drieën Zweeds spreken maakt het allemaal nog wat spannender.

Ik weet een beetje wat ze te wachten staat, omdat op onze school in Delft in de kleuterklas geregeld kindjes rondlopen die nog geen Nederlands spreken, uit Vietnam of Oekraïne. Het patroon lijkt ongeveer dit: een paar dagen verbijsterd rondkijken en huilen. Na drie maanden snappen hoe de klas werkt en wat al die nieuwe woorden betekenen. En dan, na zo’n half jaar, komen de eerste woordjes en zinnetjes en aan het eind van het jaar praten ze gewoon mee.

Maar we moeten dus die eerste maanden doorkomen. Ik heb een beetje een knoop in mijn maag over Vijf, de meest ingetogene van de drie. Die wil altijd precies weten wat er van hem wordt verwacht en dat is vrij lastig als je de taal niet spreekt. Dus op de eerste schooldag gieren de zenuwen door het huis en ook de kinderen lijken het best spannend te vinden.

Eenmaal op school verzamelen ouders, kinderen en leraren zich bij de vlaggenmast met een grote Zweedse vlag voor de opening van het schooljaar. We worden gelijk aangesproken door een moeder: ‘Jullie zijn dat Nederlandse gezin toch? Wat leuk dat jullie er zijn!’ De rector vertelt in haar speech dat er dit schooljaar maar liefst vijftig leerlingen op school zitten. ‘Zo dan!’, klinkt het enthousiast uit het publiek.

Na de opening lopen alle ouders mee naar de klassen en zijn er het eerste uur bij. Ems en ik blijven ook daarna nog. De school had aangegeven dat het goed zou zijn als we er de eerste dagen bij zijn. Ik zit met Drie, die pas over een paar dagen begint op de voorschool, achter in de klas bij Zeven en zie hoe die ietwat onwennig meedoet met een namenspelletje en bewegingsmemory, maar ook hoe andere kinderen hem helpen. Voor het wennen is het fijn dat zijn klas niet heel groot is, 13 kinderen in totaal. Bij Vijf zijn het er 12.

De tweede dag ga ik met Vijf mee. Dit keer zit ik niet in de klas, maar op de gang in het zicht. Ze beginnen in een kringetje op de grond en ik zie Vijf afwezig voor zich uit kijken, zichzelf afsluiten, zoals hij doet als hij het te druk of spannend vindt. Als de juf iets zegt zie ik hem afwachten wat de klas gaat doen en er dan net wat later voorzichtig achteraan hobbelen. Ik krijg de neiging om z’n hand vast te pakken en te zeggen hoe goed hij het doet. Maar in plaats daarvan schuif ik na een half uur – zoals afgesproken – mijn stoel uit het zicht. Bij het buitenspelen zie ik hoe Zeven al meedoet met de spelletjes die de andere kinderen doen. Zijn docent vertelt enthousiast hoe ze Google Translate gebruiken als Zeven iets niet snapt. Zeven komt enthousiast zwaaiend langsrennen. Vijf zit in z’n eentje in de zandbak.

Aan het eind van de dag til ik Vijf thuis uit de auto. Hij is helemaal kapot. Zijn gezicht heeft die vermoeide zweterige zweem en zijn ogen staan glazig. ‘Ben je moe?’, vraag ik. Nee, schudt hij. Dan vraag ik zo neutraal als ik maar kan: ‘Hoe vond je het?’ Hij scharrelt naar zijn Lego en zegt: ‘Echt heel leuk. Morgen mag ik weer toch?’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden