Op de A2 kom je terecht in een surrealistische slowmotionwereld, waar simpele inhaalacties soms wel tien minuten duren

De trein is voor kuddedieren. Op de roltrap omhoog kun je nog enig individualisme uitstralen door iedereen voorbij te rennen, maar als de trein eenmaal vertrekt, gaat iedereen precies even hard. Zelden ben je zo totaal overgeleverd aan hogere machten: je ziet de wissels niet, je hebt geen gaspedaal en als de trein stuk gaat, kun je niets doen - zelfs niet uitstappen. Je hoofd mag dan vol zitten met de meest fascinerende gedachten, de playlist op je telefoon is ongetwijfeld de origineelste van de hele coupé, maar fysiek ben je als treinreiziger even vrij als de stoel waarop je zit.

Geef mij dus maar de snelweg. En dan vooral de A2, en dan vooral het stuk bij Vinkeveen, waar vijf banen in elke richting lopen. Mooie, nieuwe, brede banen. Rúímte. De middenberm is ook lekker breed, om van de vluchtstroken nog maar te zwijgen: zij stralen de heerlijke belofte uit dat als het straks nóg drukker wordt, de snelweg moeiteloos kan doorgroeien naar twaalf of veertien banen - je hoeft alleen maar wat extra strepen te trekken. Het heeft wat geld en ruimte gekost, maar dan heb je ook wat. Ik snap dat veel mensen liever weilanden hebben dan asfalt, maar tussen Amsterdam en Utrecht rijden elke dag tienduizenden auto's, dus dan is asfalt echt ideaal.

Het enige nadeel van dit logistieke wonder is dat je er meestal maar honderd mag. En dat niet alleen, er wordt ook nog gecontroleerd. Het gevolg daarvan is dat iedereen er tussen de 98 en de 101 kilometer per uur rijdt. Zo ontstaat een surrealistische slowmotionwereld, waar simpele inhaalacties soms wel tien minuten duren. Je kúnt wel even, om te voelen dat je leeft, 106 of 107 gaan rijden, maar om geen boete te krijgen moet je dat meteen daarna weer compenseren met een stukje 94, waardoor iedereen je alsnog weer inhaalt.

Daar komt nog bij dat vrijwel niemand braaf rechts houdt, zodat je soms wel vijf banen opzij moet om een zombie in te halen die 99 rijdt in de vierde baan, en dan weer helemaal terug. Zenuwslopend, maar nog altijd beter dan de trein.

Rijdend op mijn geliefde A2 moest ik gisteren denken aan de nieuwe wet die geheime diensten meer mogelijkheden geeft om gegevens van burgers te onderscheppen. Sommige mensen vinden zo'n aantasting van de privacy nog steeds geen enkel probleem. Niet omdat ze een onderbouwde afweging maken op basis van de dreiging van buitenlandse hackers en de huidige capaciteiten van onze geheime diensten, maar omdat ze het gewoon oprecht prima vinden als de overheid iets van ze weet.

Ze gaan niet vreemd, kijken geen rare porno, maken nooit een racistisch grapje en rijden nooit te hard. Of ze doen dat allemaal wel, maar kunnen zich niet voorstellen dat de overheid ooit zo kwaadwillend of klunzig zal zijn dat ze daar last mee krijgen.

Dat zulke mensen nog bestaan, komt doordat de digitale wereld minder zichtbaar is, en nog steeds niet wordt gezien als volwaardig onderdeel van de echte wereld. Op de snelweg is het lekker overzichtelijk: de witte lijnen zijn de grenzen, de onderbroken lijnen mag je overschrijden en de doorgetrokken lijnen niet. Die andere auto's zijn echt, als je tegen ze aanrijdt ga je waarschijnlijk dood. En: wat je ook doet, je bent in beeld. Dat weet je, want de camera's hangen redelijk zichtbaar boven de weg.

Op internet is dat heel anders. Als je een zoekopdracht intikt, heb je geen flauw benul waar je eigenlijk bent. Staan die letters nu onmiddellijk op een harde schijf van Google? Kan de internetprovider ze zien? Maakt het iets uit of je Facebook open hebt staan in een ander venster? Tapt de overheid nou permanent alles af of bijna nooit, alleen in bijzondere gevallen? Is het gevaarlijk om 'bom' in te tikken?

Op de snelweg zijn we gewend aan de beperkingen, op internet zien we ze niet. Daar merken we het niet als er nieuwe camera's worden opgehangen. En dat accepteren we, want het is maar internet.

Ik wed dat we over twintig jaar hoofdschuddend zullen terugkijken op dit malle tijdperk van digitale naïviteit, maar ik weet niet of we erom zullen lachen.