Opinie burgerdoden irak

Ook Rutte moet over Irak verantwoording afleggen

Minister-president Mark Rutte had vorige week in de Kamer het debat over Irak moeten voeren, betoogt bestuurder en politicus Peter Rehwinkel.

Oud-premier Wim Kok in een helikopter na een bezoek aan een mortuarium in Bosnië in 2002. Hij nam in 2002 de politieke verantwoordelijkheid voor het bloedbad dat onder toezicht van Nederlandse militairen in 1995 was aangericht in Srebrenica. Dit leidde tot de val van zijn kabinet. Beeld ANP

Minister Ank Bijleveld heeft de schijnwerpers op anderen gericht. Zij overleefde ternauwernood een motie van wantrouwen over de Nederlandse aanval in 2015 op het Iraakse Hawija, waarbij ongeveer 70 burgerdoden vielen. Nu ligt het probleem op het bord van Mark Rutte, wordt gezegd.

De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid, volgens de Grondwet. In de raad lijkt al anderhalf jaar geleden over de luchtaanval op een IS-bommenfabriek te zijn gesproken. Minister-president Rutte bevestigde op 13 april 2018 ten aanzien van onderzoek van het Openbaar Ministerie naar vier missies met F-16’s boven Irak met burgerdoden als gevolg: ‘Daar hebben wij het over gehad inderdaad (…).’ Volgens zijn reglement van orde beraadslaagt de ministerraad over belangrijke onderwerpen van buitenlands beleid. Ook gezien het OM-onderzoek lag afstemming er voor de hand.

De minister-president als voorzitter van de ministerraad is eerst verantwoordelijke voor het regeringsbeleid als samenhangend geheel en voor de coördinatie van dat beleid, zo werd bij de totstandkoming van de Grondwet gesteld. Vanzelfsprekend draagt de premier niet als enige verantwoordelijkheid voor het algemeen regeringsbeleid of misschien meer dan de andere ministers, nee: zij zijn allen op gelijke wijze verantwoordelijk. Zo ­beschouwd is de minister-president in Nederland nog steeds duidelijk de ‘eerste onder zijn gelijken’. Maar wat ook duidelijk is: als de collectieve ministeriële verantwoordelijkheid aan de orde is, treedt de premier als eerste woordvoerder naar buiten − juist in de verhouding tot de Tweede Kamer.

Debat in de Kamer

Het debat van afgelopen week had moeten gevoerd met de minister-­president achter de regeringstafel. Daar is vanuit de Tweede Kamer zelf niet om gevraagd. Uiteindelijk werd alleen de minister van Defensie uitgenodigd, die vooral verantwoording moest afleggen voor de informatievoorziening door haar ambtsvoorganger Jeanine Hennis. Niet bij elk debat waarin algemeen regeringsbeleid aan de orde is, hoeft de minister-president aanwezig te zijn. Maar had het niet voor de hand gelegen hem uit te nodigen, náást de minister die in 2015 nog niet aan het bewind was?

Bij de regeling van werkzaamheden van de Tweede Kamer klonk: ‘Wat mij betreft gaat het kabinet over zijn eigen afvaardiging (…).’ Zo uitdrukkelijk aanspreekpunt bij de collectieve ministeriële verantwoordelijkheid had de minister-president er toch ook zélf voor kunnen kiezen om het debat bij te wonen? Pro-actief kan verantwoording van hem naar de Kamer (nu) niet worden genoemd.

Ruttes ‘Jongens, dat is vier jaar geleden’ was wat al te nonchalant. Nederland draagt een ‘geheel eigen verantwoordelijkheid’ voor het menselijke drama van Hawija. Dit zijn de bewoordingen van de parlementaire enquêtecommissie Srebrenica rond de val van de moslim-enclave. Den Haag mocht het falen van Dutchbat destijds niet geheel afschuiven op de internationale politieke context. Daarom beschouwde de commissie het aftreden van het tweede kabinet-Kok in 2002 na de verschijning van een NIOD-rapport als terecht.

Verantwoordelijk

De twee kwesties aan elkaar gelijkstellen zou beide tekort doen. Maar een geheel eigen verantwoordelijkheid draagt ons land opnieuw. Nederland is verantwoordelijk voor het Hawija-bombardement, waarbij circa zeventig burgers om het leven zijn gekomen. Die kennis vroeg om een uitdrukkelijk optreden van de minister-president. Uitdrukkelijker dan met een door Bijleveld noodzakelijk geworden (in de woorden van Rutte) ‘eerste reactie in de pers’. Vanaf nu hoort de premier voorop te gaan bij verwezenlijking van de collectieve ministeriële verantwoordelijkheid. Een verklaring van de minister-president, voorafgaand aan het Kamer­debat van de afgelopen week, had niet misstaan.

Er wordt slecht gevolg gegeven aan de collectieve ministeriële verantwoordelijkheid voor een zaak waarbij onze internationale reputatie in het geding is, maar in de eerste plaats inlichtingen aan óns parlement horen te worden verstrekt, debat daar hoort plaats te vinden, en door dit parlement ook sancties kunnen worden gesteld. Dit zijn de drie fasen die in het staatsrecht worden onderscheiden bij de ministeriële verantwoordelijkheid. Ank Bijleveld maakte ze alle drie mee, want ze ontsnapte maar net aan de ultieme sanctie op de ministeriële verantwoordelijkheid: de vertrouwensregel. Slechts met een paar stemmen verschil was ze door gebrek aan vertrouwen al opgestapt.

‘Het is aannemelijk dat de meest betrokken ministeries over het bestaan van het onderzoek zijn geïnformeerd’, liet de minister van Defensie weten. ‘Er staat mij helemaal niets van bij’, ­reageerde de premier. ‘Ik ben niet geïnformeerd over de Nederlandse betrokkenheid’, aldus oud-minister van Ontwikkelingssamenwerking Lilianne Ploumen. Volgens oud-minister van Buitenlandse Zaken, Bert Koenders: ‘Als je het over dit soort aantallen slachtoffers hebt, vergeet je dat niet. Dat zou alle alarmbellen af doen gaan.’

Alarmbellen mogen ook gaan rinkelen, wanneer ambtelijke informatie van deze omvang niet bij politiek verantwoordelijken terechtkomt.

Volstrekt onacceptabel is dat in een zo aangelegen zaak van regeringsbeleid onjuiste informatie door de toenmalige minister van Defensie is verstrekt aan de Tweede Kamer. Welke sancties daaraan worden verbonden, moet nog blijken. De collectieve ministeriële verantwoordelijkheid vraagt in ieder geval om een minister-president die deze beter waarmaakt.

Peter Rehwinkel promoveerde op de staatsrechtelijke positie van de Nederlandse minister-president. Ook was hij lid van de parlementaire onderzoekscommissie die de besluitvorming onderzocht rond Srebrenica en andere militaire uitzendingen.

LEES VERDER

ANALYSE | Voor de inzet van Nederlandse F-16’s tegen IS was alom steun. Vanwaar dan de verbazing nu blijkt dat daardoor burgerdoden zijn gevallen?

COLUMN | Kamerleden zijn niet geschokt om de burgerdoden, maar omdat ze zijn voorgelogen, schrijft Sheila Sitalsing.

CIJFERS | Voor elke mening is er een grafiek. Deze keer: 70 burgerdoden is relatief weinig/veel.

ACHTERGROND | Hoe ging de door de VS geleide coalitie om met de burgerdoden in de strijd tegen IS? The New York Times zocht het uit en sprak een slachtoffer van het Nederlandse bombardement.

ANALYSE | Minister van Defensie Ank Bijleveld hield in de zaak-Irak niet de eer aan zichzelf, maar bleef zitten. Daarmee is de kwestie nog lang niet af.

COMMENTAAR | De onderste steen moet boven als het gaat om de misleiding van de Kamer inzake Irak, schrijft Raoul du Pré.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden