OpinieFlexibilisering arbeid

Ook de millennial wil de zekerheid van een vast contract

Werknemers betaalden hoge prijs voor de neoliberale deregulering en flexibilisering van arbeid, betoogt Ruud Vreeman.

Ruud Vreeman.Beeld ANP

Nicolas Mathieu beschrijft in zijn roman De uitzichtlozen (2018) het leven in een provinciestad waar de staalindustrie is verdwenen. Toen ik de rapporten van de commissie-Borstlap (Regulering van werk) en de WRR (Het betere werk) las, moest ik hieraan denken. ‘Sinds fabrieken hun deuren hadden gesloten, waren de arbeiders louter confetti. Weg met de massa’s en de collectieven. Dit was de tijd van het individu, de tijdelijke kracht, de eenling. En al die kleine baantjes waren kruimels die eindeloos rondcirkelden in de grote leegte van de werkgelegenheid (…). Honderdjarige solidariteit loste op in het grote bad van de concurrentiekrachten. Overal werd het collectieve sloven van vroeger vervangen door nieuwe, ondankbare, slechtbetaalde baantjes, doen wat er gezegd werd en je overal bij neerleggen (…).’

Dezelfde kritiek klinkt door in beide rapporten: de flexibele arbeid is te ver doorgeschoten. Vooral jongeren en laaggeschoolden zijn de dupe. Naast een sociaal probleem van onverzekerde en onderbetaalde werknemers zonder pensioen, is er ook een economisch probleem: van minder productiviteit en innovatie. Hoe kon Nederland een koploper ‘flexibele schil’ worden, waarbij eenderde van de werknemers geen vast arbeidscontract heeft?

Terug naar de vorige eeuw. Ik hoor oud-VVD-leider Frits Bolkestein het nog zeggen bij de Algemene Beschouwingen in 1994: ‘Een beetje Amerika.’ En de minister van Economische Zaken, Hans ­Wijers van D66: ‘Laten we nu eens 30, 40 procent van de route in Angelsaksische richting gaan.’ Ze werden gesteund door de toen dominante neoklassieke economen die overal de deregulering van de arbeidsmarkt bepleitten.

Wat waren de argumenten? Ten eerste: de onafwendbare globalisering dwong ertoe; zonder deregulering zouden bedrijven niet beweeglijk genoeg zijn om internationaal te concurreren. Ten tweede: de moderne werknemer was flexibel en vond zekerheid minder belangrijk. Ten derde: een flexibele arbeidsmarkt zou innovatie bevorderen.

Nu blijkt dat alle drie de argumenten niet kloppen. Het grote verschil in landen wat betreft het aandeel flexibele arbeid laat zien dat de globalisering van beperkte invloed is. In de meeste sectoren van het Nederlandse bedrijfsleven is helemaal geen sprake van snelle wisselingen in vraag en aanbod en dus schoks­gewijze veranderingen in het personeelsbestand. Ook niet bij het midden- en kleinbedrijf (mkb), dat produceert voor de nationale markt en zéker niet bij overheidsinstellingen. De omvang van de flexibele schil is dus een eigen keuze en bij veel werkgevers is imitatiegedrag ontstaan.

Het beeld van de flexibele werknemer die zekerheid onbelangrijk vindt, klopt evenmin. Millennials willen in meerderheid een vast contract. De gemiddelde tijd dat men bij een bedrijf werkt is tien jaar. De flexibele jobhopper is zeldzaam.

Door de grote flexibele schil neemt de innovatiekracht ook nog eens af. De ‘innovatieve werknemer’ blijkt relatief ouder, heeft een hoge opleiding, werkt voltijds in vaste dienst, op reguliere tijden. Wel is dit type intern flexibel door functieverandering en bedrijfsleren. Zzp’ers dragen nauwelijks bij aan innovatie, alleen in de rol van start-ups.

Veel innovatie bestaat uit kennis belichaamd in mensen. Vaste werknemers nemen meer initiatieven dan flexibele werknemers. Externe flexibilisering blijkt schadelijk voor het kennismanagement. En er zijn meer negatieve effecten van doorgeschoten flexibilisering: bedrijven met een grote schil hebben meer managementlagen nodig om het werk te organiseren. De grote groep zzp’ers remt de productiviteitsgroei. Grotere bedrijven dragen daaraan veel meer bij.

De vakbeweging is door de flexibele arbeid verzwakt, waardoor de lonen te veel achterbleven. De kwaliteit van het werk van lager geschoolden nam af: meer werkdruk en disciplinering, minder autonomie en leren. De ellendeverhalen van pakketbezorgers en uit callcenters wijzen op pre-industriële verhoudingen.

Goed dus dat men, zij het te laat, terugkeert van deze sterk ideologische dwaalweg. De flexibele arbeid is bedoeld voor ‘piek’ en ‘ziek’ en mag nooit meer zijn dan 10 procent van de arbeidsmarkt. Daarbij moet niet, zoals de commissie-Borstlap stelt, worden getornd aan de Nederlandse arbeidsovereenkomst die in de kern goed functioneert. Dat beetje meer bescherming van de werknemers ten opzichte van die in andere landen, is prima. Dat stimuleert om de flexibiliteit in de eigen organisatie te zoeken, in functies, werktijden en scholing, en om gezond te werken. Want de burn-outepidemie moet worden opgelost.

Centraal daarbij staat het mensbeeld. De werknemer is niet louter een kostenpost zonder uitzicht. ‘Voor jou tien anderen’, maakt boos, wantrouwig jegens instituties en is een begrijpelijke voedingsbodem voor populisme. We moeten terug naar de werknemer als mens, collegiaal, loyaal, betrokken en leergierig, met een goede rechtspositie. 

Ruud Vreeman is oud-burgemeester en oud-vakbondsbestuurder.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden