livestream columnistenmarathon

Onze columnisten luidden 2019 in, kijk het hier terug of lees de columns

Hoe schrijf je een column? En wat zou je nu nooit meer schrijven? De columnisten en cartoonisten van de Volkskrant luiden 2019 in met de jaarlijkse marathon, waarin ze ditmaal vertellen over hun vak.

Boven: Paul Onkenhout, Joost Zaat, Tonie Mudde, Jasper van Kuijk, Philippe Remarque, Bas van der Schot. Midden: Loes Reijmer, Jos Collignon, John Volkers, Melle Runderkamp, Sheila Sitalsing, Rob Vreeken, Ibtihal Jadib, Simon Hendriksen, Diederik Samsom, Eva Hoeke, Jean Pierre Geelen, Caspar Janssen, Peter de Wit, Heleen Mees, Arthur van Amerongen, Marjan Slob, Arjan Peters, Sander Donkers, Margriet Oostveen, René Cuperus, Frank Kalshoven, Sylvia Witteman, Aleid Truijens, Daniela Hooghiemstra, Stephan Sanders, Martin Sommer, Bert Wagendorp, Elma Drayer. Onder: Ariejan Korteweg, Willem Vissers, Gabriël Kousbroek, Stella Bergsma, Harriet Duurvoort. Beeld de Volkskrant

Het laatste ritueel van de jaarwisseling in de Volkskrant is de columnistenmarathon, onze vrolijke aftrap van het nieuwe jaar. Maar wie een traditie uitvindt, heeft ook de vrijheid daar weer van af te wijken. Dus weg met de vooruitblik op het nieuwe jaar, we vragen de columnisten dit keer om over hun werk te vertellen. Hoe we hierop zijn gekomen? In de herfst waren alle correspondenten van de Volkskrant even in het thuisland en presenteerde ik ze in de Rode Hoed aan een zaal vol lezers. De vragen die wij voor hen hadden bedacht, over hun werk en hun land, leverden geestige anekdotes en goede inzichten op. Waarom zouden we dat ook niet eens met de columnisten proberen? stelde de aankomende chef opinie Laura de Jong aan mij voor. Ik was meteen voor het idee gewonnen. Want wie een columnist regelmatig leest, krijgt het gevoel een goede kennis van die figuur te zijn. Dat is ook wel een beetje zo, maar wat weet je als lezer nu echt van haar of hem? Hoe is het eigenlijk om een column te schrijven of een cartoon te maken, wat voor reacties krijg je als columnist of cartoonist, wanneer heb je spijt van wat je hebt geschreven, wie vind je goed? Wij hopen dat deze bijdrages u een blik achter de schermen bieden. 

Philippe Remarque, hoofdredacteur

1. Wat is de leukste/vreemdste/naarste lezersreactie die ­je ooit kreeg?

Lezerspost

Mijn naam is Klaas van Kieten. Nadat ik u drie keer vergeefs heb gebeld, heb ik de stoute schoenen aangetrokken en zend u hierbij En Het Fluitketeltje Zingt, het tweede deel van mijn trilogie, waarin een patholoog-anatoom kabouterpopjes in lichaamsopeningen vindt. En het fluitketeltje maar zingen. Meer verklap ik niet. Vanzelfsprekend kan ik u desgevraagd ook voorzien van het eerste deel, Endlösung In Wanneperveen, over een onbekend aspect van de Tweede Wereldoorlog. Heel anders van toon. Van verschillende kanten heb ik enthousiaste e-mails gekregen van lezers die hier nooit van hebben geweten. Zo gaat dat, bij een onbekend aspect van de Tweede Wereldoorlog. Graag geef ik u de primeur om er een nieuwsitem op de voorpagina van te maken.

U kunt me ook altijd bellen voor informatie, maar niet om drie uur ’s middags, want dan ga ik mijn bedlegerige moeder omdraaien, tegen het doorliggen. Hierbij mijn telefoonnummer. Niet te vaak bellen alstublieft, ik wil ook nog verder werken aan het derde deel, dat Waarom Er Nog Hoop Is zal heten. Vermoedelijk, het is een werktitel. Nog niet publiceren! En waarom er toch nog hoop is, daar ben ik zelf ook benieuwd naar. Groeten van Klaas.

Arjan Peters

De heer Van den B.

In januari 2015 kreeg ik de eerste mail van de heer Van den B. Hij verdedigde Wilders en stelde dat ik met een keppeltje op door Kanaleneiland in Utrecht moest gaan lopen. Dergelijke e-mails had ik vaker ontvangen, maar deze reactie was langer en erudieter.

Ik antwoordde, we kwamen er niet uit en na vijf mails noemde ik de heer Van den B., wat mij betreft met goede redenen, een antisemiet.

Vanaf toen kreeg ik dagelijks een e-mail van hem, vol afkeuring over wat ik nu weer had geschreven. Een enkele keer prees hij andere columnisten, doorgaans Derk Jan Eppink.

Op een gegeven moment, zijn koppigheid had iets literairs, stelde ik voor om samen wat te eten. Dat vond Van den B. prima, maar ik mocht het gesprek niet opnemen en vanwege maagklachten zou hij regelmatig van tafel opstaan.

Flauw misschien, maar ik liet het etentje toch aan me voorbijgaan.

Ook toen ik stopte met mijn dagelijkse column, bleef Van den B. mails sturen. Soms slaat hij een paar dagen over, dan weer verstuurt hij twee à drie mails op één dag.

Ik lees die zelden, maar het is altijd een geruststelling te merken dat de heer Van den B. nog leeft.

Arnon Grunberg

Schuttersputje

Ik geef toe: ik ben een lafbek. Vanuit mijn schuttersputje richt ik mijn pijlen op de wereld. Soms maak ik mezelf wijs dat ik raak schiet. Het is altijd even schrikken dat de wereld echt bestaat. Dat daar mensen rondlopen die iets terugzeggen. Griezelig.

Sommige lezers delen een corrigerend tikje uit: een feit, cijfer of tegenargument. Daar heb ik wat aan. Boze lezers zitten vaak klemvast in hun eigen schuttersputje. Het merendeel komt met ellenlange verhalen over conflicten op school en de schandelijke manier waarop hij of zij is behandeld. Of ik hierover spontaan een woedende column wil schrijven. Liefst een serie.

Anderen schelden erop los omdat mijn mening hun niet bevalt. Zoals de collega-columnist van Trouw die mij ‘a special place in hell’ toewenste. Zelf vertrok ze onlangs omdat ze zo veel bagger over zich kreeg uitgestort.

Ik krijg ook lieve, opbeurende en schattige reacties. Soms iets te schattig. Zoals die meneer die vond dat we moesten trouwen, hij en ik. We waren voor elkaar geschapen. Hij bleek een kuitenbijter.

Het meest angstaanjagend was de aanbeveling om mij minister van Onderwijs te maken. Complimenteus bedoeld, maar een groteske misvatting. Het zou een ramp worden. Ik ben een beroerde uitvoerder van ideeën.

Lieve lezer, ik ben blij dat u bestaat. Zonder u bestond ik een stuk minder.

Aleid Truijens

Ware verhalen

Beeld Valentina Vos

Omdat ik graag met de duvel en zijn ouwe moer sta te ouwehoeren en de meeste mensen bovendien geen enkele schroom hebben hun levensverhaal uit te serveren, vul ik mijn plek in de krant vaak met wat Britten zo aardig slices of life noemen.

Soms zijn de geportretteerden daar blij mee, soms niet.

Hoewel ik ze in zacht licht zet – vanuit de gedachte dat niemand alleen maar slecht is, alleen maar goed trouwens ook niet – blijven woorden confronterend. Zo schreef een lezer dat ik de privacy van een serveerster in een non-descript Limburgs café op flagrante wijze had geschonden, en stond onze 67-jarige huishoudster Bep eens briesend op de stoep om te zeggen dat mijn verhaal niet klopte: ze lustte helemaal geen gevulde koeken.

Onschuldige voorbeelden.

Lastiger vond ik het toen de Syrische buurmeisjes kwamen vertellen dat ze twee dagen huisarrest hadden gekregen. Een buurvrouw had fluisterend schande gesproken van het stukje dat ik over ze had geschreven en hun moeder, die het niet lezen kon, verzonk daarop zo in schaamte dat ze het enige deed waar ze wel invloed op had.

Ik snap het verwijt: het zijn hun verhalen, niet de mijne.

Maar het zijn wel wáre verhalen, en alleen ware verhalen raken.

Bij de Syrische moeder ben ik trouwens langs geweest.

Bij die buurvrouw ook – maar dat leest u nog weleens.

Eva Hoeke

Zaligheid

Op de dag voor mijn vakantie had ik twee zomercolumns ingeleverd. De een was een reactie op het alarmerende Washington Post-artikel ‘The Slow, Secret Death of the Electric Guitar’. Ik ben al veertig jaar verknocht aan mijn Fender Stratocaster, en je kon wel zeggen dat ik mijn hele ziel en zaligheid op het papier had gesmeten.

De ander ging over mijn kat die in het water viel.

Terug van vakantie had ik nieuwe snaren nodig en ging naar de gitaarwinkel, waar ik opvallend enthousiast werd begroet. ‘Ben jij niet van die column?’ Het verbaasde me niet. Natúúrlijk waren gitaarwinkelmannen op de hoogte van mijn vlammende, eloquente protest tegen de rap afnemende populariteit van hun waar. Teleurstellend eigenlijk dat de column nog niet ingelijst aan de muur hing.

Een jongere collega voegde zich erbij, met een glimmende Gibson Les Paul in de hand. ‘Kijk nou’, knikte de man in mijn richting. ‘Van die column die ik je voorlas.’

De ogen van de jongen lichtten op. ‘Over die kat?’

‘Ja!’

‘Die in het water viel? En dat-ie erachteraan sprong?’

Waarna ze met zichtbaar plezier mijn halve stukje begonnen op te dissen. Wat werkelijk zeer vleiend was, maar niet per se goed nieuws voor de elektrische gitaar.

Sander Donkers

Moeders

Het zou de laatste column worden voor mijn zwangerschapsverlof. Mijn brein, of wat daarvan over was, dobberde in een hormonale Bermudadriehoek van Funda, Marktplaats en de Instagramaccount van Romy Boomsma.

Mijn vernauwde blik liet me weinig keus. Even geen onlinecultuuroorlogen, nee, mijn laatste stukje mocht best over deze hormonale fascinatie gaan. En daarna rustig met verlof.

Romy Boomsma is de vrouw van Arie Boomsma. Ze bestiert een prachtig gezin en een prachtig Instagramaccount. Haar tachtigduizend volgers willen alles van haar weten: welke crèmes ze gebruikt, van welk merk die romper is, hoe ze hun huis óók kunnen transformeren tot bedoeïenentent. Inspireren, heet dat op Instagram – veelal een eufemisme voor consumeren. Misschien raken haar fans ook geïnspireerd door het thuisblijfmoederschap dat via haar account in ideaalplaatjes tot ons komt, schreef ik. En dat zou dan weer – toen werd het gevaarlijk – slecht nieuws voor de emancipatie kunnen zijn.

Boomsma werd boos en verweerde zich in een post op haar geliefde sociale medium. Ruim vijftienhonderd woeste moeders buitelden in de reacties over elkaar heen. Deze gefrustreerde columnist zal zelf wel geen kinderen hebben, opperde een vrouw. ‘Sterker nog’, reageerde een ander vol afgrijzen, ‘ze is zwanger van de tweede.’

Loes Reijmer

2. Hoe schrijf je jouw column?

Rammen

Ik zal even uitleggen hoe ik zo’n column schrijf. Ik ga aan mijn bureau zitten, en dan tik ik op wat ik in mijn hoofd heb. Dat doe ik met twee vingers, want ik heb nooit echt leren typen. Ik ram heel hard op dat toetsenbord, geen idee waarom, maar mijn kinderen lachen me er altijd om uit. ‘Lach maar, jullie vreten van dat geram van mij’, zeg ik dan terug.

Het lastige van zo’n column is dat hij een bepaalde lengte moet hebben. Voor de Volkskrant is dat rond de 430 woorden. Dat is niet zo veel, als je een hoop te vertellen hebt. Gelukkig kan ik tijdens het tikken onder in beeld zien hoeveel woorden ik al heb, en dus ook hoeveel ik er nog bij kan schrijven. Dreigen het er te veel te worden, dan schrap ik hier en daar wat.

Als de 430 woorden opgetikt zijn, is de column klaar. Ik stuur hem dan naar de krant. Daarna ga ik andere dingen doen.

Columns tikken is helemaal geen vervelend werk, en het aardige is dat ik ervoor betaald word. Niet echt goed betaald, maar voor alle andere dingen die ik doe, krijg ik helemaal niets, dus ik ben er toch blij mee.

Sylvia Witteman

Afleiding

Vroeger was mijn deadline op zondag. Dat wilde zeggen dat zoonlief altijd door de kamer banjerde. In het prille begin kreeg hij zelfs nog de borst, dat was tenminste nog rustig. Omdat Marjan Slob zo lief was om te ruilen, kan ik nu onder schooltijd schrijven. Maar waar eerst zoonlief me afleidde, is dat nu mijn Googleverslaving.

Onder het mom van uitzoekwerk ga ik los. Zo schreef ik rond Kerst over eenzaamheid. Ik zocht een citaat, vond het niet, maar kwam wel terecht bij Sylvia Plath. O ja, De glazen stolp, dat stond op mijn lijst. Reden om de wiki-pagina van Sylvia Plath te googlen. Haar tragische zelfmoord blijkt verband te houden met het feit dat haar man haar verliet voor een Liz Taylor-lookalike. De relatie met de lookalike zette zich voort na Plaths dood, maar kwam eveneens in zwaar weer. Tenslotte pleegde de lookalike zelfmoord op dezelfde manier als Plath, met haar hoofd in de oven. Schokkender: ze nam haar dochtertje mee in de dood. Weerzinwekkend, maar wat is deze tragedie boeiend. Zou dit verhaal verfilmd zijn? Ik check YouTube. Maar oeps, over zo’n anderhalf uur moet ik leveren. Ik sluit Google en ram mijn tekst erin. Zo ongeveer schrijf ik.

Harriet Duurvoort

Onder de mensen

In de verslaggeverscolumn volgen we niet het nieuws, maar de mensen.

Dus ik reed naar Limburg, naar de verkoper van het zelfmoordpoeder waarmee de 19-jarige Ximena Knol haar leven beëindigde.

De Oplosmiddelspecialist, heet zijn webshop.

De Oplosmiddelspecialist verkoopt schoonmaakmiddelen. Soms bestellen scholieren het dodelijke poeder voor proefjes. De verkoop ontspoorde nadat de Coöperatie Laatste Wil een lobby was begonnen voor een vrij verkrijgbaar zelfmoordmiddel.

Ik twijfelde nog of ik zou gaan: de verkoper had in nieuwsitems al laten weten wat een verschrikkelijk ongeluk het was. Dit in soepele quotes.

Maar soms heb je een voorgevoel en ik heb geleerd dit serieus te nemen.

Ik belandde in een donkere huiskamer in Beek. Een kat sprong op mijn tas. Naast mijn voeten zaten een peuter en een bullterriër, genaamd Gucci.

Het gif voor de onlineverkoop stond in de keuken, opgestapeld naast de wasdroger.

De Oplosmiddelspecialist vertelde onbevangen over zijn cannabisgebruik. Over stiefkinderen die al uit huis waren geplaatst. Dit na bedreiging door een drugscrimineel.

Overheid en Coöperatie Laatste Wil schoven alle verantwoordelijkheid voor het zelfmoordpoeder in handige woordjes af. En nu lag die dus hier: bij een blowende verkoper met genoeg problemen.

Om te begrijpen hoe het echt zit, moet je ook de mensen leren kennen. Dat is meer ons soort nieuws.

Margriet Oostveen

Klootzakken

Op de vraag hoe ik mijn column schrijf, viel ik stil. Ik fronste, keek naar een voorbijdrijvende wolk en kwam tot de conclusie dat ik het antwoord schuldig moest blijven. Het enige wat in mij opkwam, waren mijn kinderen. Ze lijken schattig, maar in werkelijkheid zijn ze onuitstaanbaar. Buiten hun aanwezigheid noem ik ze ‘de klootzakken’, al vind ik dat een belediging voor lieden die zich klootzakkerig opstellen, want doorgaans zijn dat ook maar mensen die het zelf moeilijk hebben. Mijn kinderen hebben het nooit moeilijk. Het ontbreekt ze aan niets. Toch weigeren ze categorisch om dankbaar en rustig in een hoekje te spelen als ik moet schrijven. Zodra mijn laptop openklapt, gaat er een signaal naar ze uit om zo veel mogelijk vernietigende activiteiten te ontplooien. Daardoor moet ik iedere anderhalve minuut een Winnie de Poeh-pleister zoeken, een omgevallen plant opruimen of, mijn favoriet, een poepbroek uitspoelen.

Ik schrijf mijn column ondanks de klootzakken, maar ook juist omwille van hen. Ik schrijf vanuit de hoop elkaar beter te leren kennen. Wanneer het lukt om ‘de ander’ dichterbij te brengen, kunnen mijn kinderen later meer worden dan de droge optelsom ‘Marokkaans-Nederlands’.

Ibtihal Jadib

Paapjes

Je mag zomaar anderhalf jaar door Nederland lopen, dus dan val je lezers niet lastig met verhalen over paniek. Paniek over de stukjes die er bijna dagelijks moesten komen. Ergens in de nazomer liep ik bij het Tjeukemeer. Ik had nog een uur om iets mee te maken, daarna moest ik als een razende terug naar Amsterdam, ik had beloofd mijn dochter van school te halen. Geen reservestukje voorhanden. En het was niet veel daar aan het Tjeukemeer. Lichte wanhoop dus.

En toen zag ik twee paapjes. Ze vlogen op en neer tussen een draad van een hek en een ruig graslandje. Oranje borst, witte wenkbrauwstreep, zwarte oorstreek. In het stukje word ik er lyrisch van. Omdat ik de paapjes zelf als paapjes herkende, en omdat het best een zeldzaam vogeltje is geworden. Een mooi stukje, vonden lezers, vooral die zin waarin de hele vogelgids door mijn hoofd flitste en ik tot de conclusie kwam: paapje! Wat een euforie!

Maar als ik eerlijk ben, voelde ik op dat moment vooral opluchting: ha, een stukje! Gered door twee paapjes. Het moest de voorzienigheid zijn. En zo ontstond tijdens mijn tocht een nieuwe vorm van vogelliefde. Appelvink, blauwborst, kuifmees, velduil, geelgors, ze kwamen toen ik ze nodig had.

Caspar Janssen

Weeffout

Columnisten doen nooit ergens aan mee en spelen zelf nooit ergens een rol in. Toch weten ze altijd precies wat er gebeurt, wat er fout gaat en vooral: wie daarvan de schuld hebben.

In de psychologie van columnisten zit een weeffout. Ze schoppen tegen de wereld aan, in de hoop erdoor omarmd te worden. Ik ken geen mensen die zo graag liefgehad willen worden als columnisten, en ook geen die zich in dat streven zo teleurgesteld voelen.

Columnisten beweren dat ze zich laten inspireren door de wereld om hen heen, maar in werkelijkheid speelt hun omgeving een bijrol in een ander veel groter universum: dat van hun eigen column. In hetgeen ze betreuren, zwelgen ze. Net als dominees. Als ze zeggen dat ze hun persoonlijke verdriet (echtscheiding, ziekte, dood) met je delen, moet je dat al helemaal niet geloven. God verhoede de dag dat je in de gracht valt en er op de kade alleen maar columnisten staan.

Daniela Hooghiemstra

Altijd samen

De mensen vragen vaak: Betrouwbare Mannetjes, zeg ons, hoe schrijven jullie je column? En dan zeggen wij altijd samen: altijd samen. Via Google Drive. En Skype. Donderdagavond beginnen. Onderwerpje verzinnen dus hopen dat er bij Pauw nog iets gebeurt. Maar daar zit dan altijd woordkunstenaar Wim Daniëls. Dan nog snel pilsje pakken. Een van de vrouwen gaat naar bed en er moet nog iets gezegd worden. Dan moet de ander daar even op wachten. Daarna moet de een vaak zijn oplaadsnoer zoeken. Of de router resetten. Tegen 3 uur slapen. En dus verslaapt de een zich soms. Niet professioneel maar kan gebeuren, de ander neemt het wel over, zou je denken. Maar die gaat zitten wachten. En daarna (!) koffiebonen malen met een ‘handmaler’, dus dat duurt onwijs lang. Dan zou Simon in de tussentijd koffie kunnen gaan halen, want die is bij hem echt supervaak op. Maar dat doet-ie pas als Melle is uitgemaald. Maar wel vlakbij. Maar ook niet heel vlakbij. Maar het is ook niet alsof Melle dan in de tussentijd doorwerkt. Dus leveren we het stukje te laat in. Ook omdat er tussendoor wordt aangebeld met een pakketje. Wat dan meestal voor de buren is. Veel plezier van uw nieuwe mening.

De Betrouwbare Mannetjes

3. Op welke column kreeg je de meeste reacties?

Barbie

Mijn columns doen gewoonlijk niet zo veel stof opwaaien. Daarvoor zijn ze, denk ik, te bedachtzaam. Een columnist moet zo scherp mogelijk formuleren, en bij die opdracht voel ik me prima. Maar ik ben niet van het slag dat met fonkelende ogen de boksring instapt en geniet van een goed geplaatste linkse directe. Ik ben wel expressief, maar ook introvert (ja, dat kan samengaan!) en beschouw van nature liever wat zich voor mijn ogen ontrolt.

Mei vorig jaar stond ik per ongeluk toch in de arena. Ik schreef over de audiëntie van Ivanka en Melania Trump in het Vaticaan en vergeleek hen met barbies. Dat leidde tot bijna tweehonderd reacties op Twitter, die bijna allemaal dezelfde strekking hadden: ik was jaloers op de dames Trump, en geen wonder, want ik ben lelijk en zij zijn mooi.

Het is schokkend om als persoon haat op je gericht te voelen. Maar het doet ook als schrijver pijn. En wel omdat deze twitteraars zich gedragen als een chagrijnige zoekmachine die aanslaat op overbekende steekwoorden (Trump, vrouwbeelden) en compleet voorbijgaan aan het nieuwe dat je probeert uit te drukken. Je moet als schrijver concluderen: mislukte column. Al die reacties, en ik ben in feite niet gelezen.

Marjan Slob

Op de man

Vaak wordt mij gevraagd wat er toch is misgegaan tussen mij en Henk Spaan, televisiepersoonlijkheid en columnist van Het Parool. Dan moet ik de column noemen die ik in juni 2000 over hem schreef.

Terwijl het woord amper bekend was, veroorzaakte het stuk toen al ophef. Lezers belden en mailden naar de redactie en in de krant verschenen een paar ingezonden brieven.

Ook werd ik bij de hoofdredacteur geroepen. Op weg naar zijn kamer passeerde ik zijn secretaresse, die mij een strenge blik toewierp. Hoofdschuddend vroeg de hoofdredacteur of dit nou allemaal wel nodig was geweest. Ik geloof het wel, zei ik, en met dat antwoord nam hij genoegen, hij was de moeilijkste niet.

Vorige maand kwam de column weer eens ter sprake op de redactie. Een jonge collega had in het archief zitten neuzen en vond het nodig de laatste twee zinnen van de column hardop voor te lezen.

Er klonk een stem uit het verleden, de stem van iemand die die goeie ouwe Henk Spaan de grootste kutcolumnist en kutprogrammamaker noemt die hij van zijn leven heeft gezien. Paul toch, zei een collega met lichte stemverheffing. Een ander kreeg de slappe lach.

Ik negeerde de vraag of ik het nu weer zo zou opschrijven. Het antwoord is onbelangrijk. Eens geschreven, altijd geschreven.

Paul Onkenhout

Egeldrama

Ik krijg nul reacties als ik over masturbatie, drugs, drank en mijn stoelgang schrijf, maar zodra ik iets verzin over dieren, breekt de pleuris uit. Zo ontaardde een column over een baby-egeltje in een virtuele lynchpartij. In dat cursiefje wandelde ik door het bos en zag ik plotseling de snufferd van Raya, de oudste, trillend de lucht ingaan.

Egelalarm!

Ze schoot weg, gevolgd door Tita en Jamba.

Voor mijn meisjes zijn egels tennisballen die naar varken smaken. Aan de stekels hebben ze maling, die moet papa uit hun muilen trekken.

De honden waren vrolijk aan het volleyballen en met gevaar voor eigen leven wierp ik mij in de roedel.

In mijn hut voerde ik het egeltje melk, want ik las ooit in een Jip en Janneke-avontuur dat zo’n ‘speldenkussenbeestje’ daar dol op is.

Ik werd virtueel gesloopt: een baby-egel mag je nooit melk voeren, want dan krijgt-ie diarree!

Ik was een moordenaar en een vuile fascist.

Het is de schuld van Annie M.G. Schmidt, die met een borrel in haar mik grijnzend dacht: ik ga die lelijke wormenvreter lekker oppimpen tot een poezelig knuffeldier.

Sinds het egeldrama durf ik niet meer over beestjes te schrijven. Daarom beperk ik me noodgedwongen tot alledaagse viezigheid.

Arthur van Amerongen

De kracht van emoties

De column was een laatste wanhoopspoging om een punt te maken dat me aan het hart gaat: dat dikke mensen recht hebben op een leven zonder zelfhaat en stigmatisering.

Ik schreef hier al zo vaak over; ik had wetenschappelijk onderzoek naar de schadelijke gevolgen van overgewichtsdiscriminatie en vetfobie geciteerd tot ik scheel zag.

Maar het had onvoldoende verschil gemaakt, want toen uit onderzoek bleek dat 20 procent van de obese mensen tevreden is met hun gewicht, waren de meeste reacties niet enthousiast maar geschokt. Verontrustend, vond men, dat dikke mensen van hun lichaam kunnen houden.

Ik besloot tot nog één column, over een andere boeg: misschien zou emotie bereiken wat feiten niet konden. Als ik mijn hart bloedend blootlegde, zou dat helpen?

Dus citeerde ik mijn 11-jarige zelf, uit een dagboek: ‘Ik wil niet dik zijn. Waarom ben ik zo’n vies vet varken?’ Ik beschreef hoe ik liefde had laten lopen, want wie wil mij nou? En hoe houden van jezelf hierop een overwinning is.

Ik verwachtte afkeuring, maar ontving honderden reacties vol geopende ogen. Een dunne vrouw snapte eindelijk wat het probleem was. Een kinderarts zou begripvoller zijn tegen dikke patiëntjes.

Soms moeten mensen blijkbaar niet weten, maar voelen.

Asha ten Broeke

Nee jij dan, Dijkshoorn

Ik schreef in 2018 over gestorven muzikale helden, de dood van mijn moeder en haar verlangen naar Zwitserland, over mijn tekortkomingen als vader wanneer ik samen met mijn dochter een huurhuis bekijk en over de vriendin van de in El Salvador gestorven geluidsman Hans ter Laag.

Die columns samen leverden precies twee reacties op. Iemand mailde mij dat er in Zwitserland heel veel bergen waren. In de andere mail werd mij uitgelegd waarom je veel beter een huis kunt kopen.

Op een column over de korte broek kreeg ik tot nu toe 186 reacties. Vooral deze zin maakte veel los: ‘Het is heel makkelijk te bewijzen dat de korte broek het achterlijke neefje van de herenconfectie is.’

De inhoud van die 186 reacties kan ik het best als volgt samenvatten: ‘Nee jij dan, Dijkshoorn. Linkse graaier, met je spijkerbroek, je scheve bek en je hangende oog. Ga jij ons vertellen wat we moeten dragen? Niemand verbiedt mij om met mijn blote knietjes onder een korte broek rijst af te gieten in de gezamenlijke gootsteen op de camping, begrepen!’

Zo werkt het bij Volkskrant-reageerders. Aretha Franklin dood, jammer dan. Een column over de korte broek: het schuim op de bek.

Nico Dijkshoorn

Ruimtewandeling

Mijn vader knipte alle door zijn zoon geschreven stukjes uit de krant. Een geheime operatie; het plakboek was een verrassing. Het moet nog ergens zijn.

Zijn zoon schrijft nu stukjes over de ondergang van zijn vader. Het zal niet lang meer duren.

Dementie is, meer dan de dood, een ontkenning van het leven. Ze schrijven over de zonnige kant ervan, de liefde die ze genereert, boeken met goedbedoelde tips. Nog zo’n teken van machteloosheid.

Er is geen zonnige kant, het is een put met gladde wanden, zwart, waarin mijn vader verdwijnt, zwaaiend met zijn armen.

Is het kies daarover stukjes te schrijven?

Weet ik niet. Schrijven is altijd een poging door te dringen in het onbekende, te ordenen, houvast. Het is woede koelen. Het is een afscheidsbrief.

Wat mijn vader overkomt, is uiteraard uniek, maar niet volgens de lezersbrieven: vaders, moeders, mannen, vrouwen. Iedereen zoekt dezelfde weg, en er is niemand die richting geeft. Het blijft een ruimtewandeling.

Wat raast in mijn vaders hoofd is buitenaards, wat hij denkt en voelt blijft steken in dingen die wij, de levenden, nog net begrijpen. Het ‘lieveling’ als zijn vrouw verschijnt.

Wat mijn vader denkt van de stukjes in de krant, weet ik niet. Wel weet ik dat hij altijd trots was op zijn zoon.

Toine Heijmans

Toine Heijmans sr. overleed afgelopen vrijdag. Hij werd 74 jaar.

4. Welke column was het leukst om te schrijven?

Beeld Stefan Verwey

Mevrouw Slingeland

Als de vaste telefoon rinkelt op de Haagse redactie, belooft dat nooit wat goeds. Burenruzie op Voorne-Putten, een pleidooi voor het afschaffen van de Eerste Kamer. Bezorgklachten, omdat ze in Amsterdam te beroerd zijn de telefoon op te nemen. Zo raakt de dag zijn glans snel kwijt.

Dit keer was het mevrouw Slingeland, een Haagse dame van 92. Het leverde mij m’n leukste column van 2018 op. Mevrouw Slingeland belde omdat ze het referendum over de Wiv-wet niet begreep.

Ik zocht haar op in haar verzorgingsflat in Mariahoeve, waar de knipsels klaarlagen op het tafelkleed. In de marge stonden aantekeningen: zijn de kiezers wel geïnformeerd? Is deze stemming rechtsgeldig? Haar bezwaar: als niemand snapt waar het referendum over gaat, kun je het resultaat dan serieus nemen?

‘Ik vond jou leuk’, zei ze toen ik haar maandag belde vanwege dit stukje. Dat was geheel wederzijds. Intussen gaat het wel wat minder. Ze is vaak misselijk en duizelig, misschien de ziekte van Ménière, misschien door tekenbeten. De politiek volgt ze nog goed. Haar zoon wil dat ze op internet gaat, maar daar ziet ze weinig in. ‘Dat is fantastisch, maar ik weet hoe ik ben. Dan kom ik zo veel zijwegen tegen. Ik zou er hele dagen achter zitten.’

Ariejan Korteweg

Operette

Het ellendige van de column is dat hij bestaat uit: woorden. Geen groter straf dan elke week weer uit het niets woorden, zinnen en zelfs alinea’s te moeten bedenken. Het leukst om te schrijven was daarom mijn column over de nasleep van de Oosterparkrellen in Groningen. Die stond in de krant op 17 januari 1998 – let wel, ik ben de Volkskrant-columnist met veruit de meeste dienstjaren – en bestond niet uit woorden maar uit een graphic.

De column van Rob Vreeken over de nasleep van de Oosterparkrellen in Groningen.

De oudjaarsrellen in de Oosterparkwijk hadden geleid tot een politieke en bestuurlijke operette waarbij vergeleken de verwikkelingen in het Witte Huis onder Donald Trump kinderspel zijn. De politiechef stapte op, burgemeester Ouwerkerk moest aftreden, hoofdofficier van justitie Daverschot vertrok. Er was een onnavolgbare link met de affaire-Lancee, de van incest beschuldigde korpschef op Schiermonnikoog. Minister van Justitie Winnie Sorgdrager lag onder vuur, ook al vanwege haar machtsstrijd met procureur-generaal Docters van Leeuwen. Ook hij moest weg.

Het was allemaal volstrekt onbegrijpelijk en precies dat was de boodschap van de column. In één oogopslag moest duidelijk zijn: er is werkelijk geen touw aan vast te knopen. Een handvol namen volstond. Sindsdien hanteer ik voor columns – zeker ook voor die van collega’s – als stelregel: hoe minder woorden, hoe beter. Idealiter zijn het er nul.

Rob Vreeken

Altijd Johan

Op een voor eeuwig in mijn telefoon bewaarde foto is het net of wijsneus Willem Vissers door de vinger op zijn getuite lippen Johan Cruijff tot stilte maant. Zo erg is het niet, in het stadion van Stuttgart, tijdens het WK van 2006 in Duitsland. Cruijff is opeens binnengevallen. Verslaggevers zijn als apostelen rond de profeet verzameld.

Cruijff beschouwt zijn toehoorders als ervaren verslaggevers, voor wie hij de taak ziet weggelegd de onervaren trainersstaf met Marco van Basten en John van ’t Schip te laten gedijen. Ook door mildheid en begrip te tonen.

Die strofe uit het evangelie van Cruijff is in mijn geheugen gekropen. De pen kan een bloem zijn of een wapen. Stukjes mogen nietsontziend zijn, om gepruts, misbruik of wangedrag te veroordelen, maar zeker zo lief zijn mij columns waaruit mildheid vloeit. De loop van het wapen mag best rozenblaadjes verspreiden. Cruijff kon bikkelhard zijn, mild, geniaal, origineel, wijs. Ervaren politici/boekhouders/journalisten/stratenmakers die anderen laten gedijen, is een beeld dat me bevalt.

Vermoedelijk lag mijn vinger op de getuite lippen om Cruijffs wijsheid te proeven, of om mezelf het zwijgen op te leggen. En verder kijk ik gewoon naar de foto als symbool van een groter gemis.

Willem Vissers

Ongenode gasten

Het liefst schrijf ik columns over wolven die in Nederland zijn gesignaleerd. En dan bij voorkeur naar aanleiding van een foto in de krant waarop je een wolf ziet die ergens in het oosten van Drenthe langs een supermarkt slentert. Dat de wolf zich dit jaar vermoedelijk blijvend in Nederland zal vestigen, is jammer. Die ontwikkeling berooft ons van het nieuws ‘wolf gesignaleerd’. Alle wolven die Nederland als vaste woon- en verblijfplaats kiezen, zullen worden voorzien van een zendertje om ze 24/7 te kunnen ‘monitoren’. Ook zullen ze worden onderworpen aan het ‘wolvenprotocol’, een strenge reeks verblijfsvoorwaarden, waaronder een verbod op seksueel verkeer met inheemse Duitse herders, die elke verrassing uitsluit.

Wat maakte de gesignaleerde wolf tot zo’n geschikt columnonderwerp? Dit: de wolf past eigenlijk niet in onze aangeharkte stadsstaat. De wolf is een authentiek wild dier uit een andere tijd dat zich ineens weer heeft gemeld. Hij is de ongenode gast op je feestje die met een beroep op een al bijna vergeten vriendschap je koelkast begint leeg te zuipen. Dat zorgt voor consternatie. Je hoeft op zijn verschijning ook geen mening los te laten – die gesel van elke nieuwscolumnist. De aanwezigheid van de wolf volstaat, je hoeft alleen maar op te schrijven wat er gebeurt.

Nu de wolf afvalt als columnonderwerp, hoop ik op de terugkeer van de bruine beer.

Bert Wagendorp

Kiezen

Vragen wat de leukste column was om te schrijven uit een stuk of 1.600 is als vragen wat vorige lente de leukste koolmees was aan een slinger doppinda’s. Geen idee. Er zijn criteria als de best gelezen, de grappigste, de invloedrijkste of die waarop de meeste reacties kwamen. Allemaal hebben ze plezier opgeleverd, vooral als de laatste punt was gezet.

Als het om de leesdichtheid gaat, is provocatie het beste middel: heeft Nederland wel voldoende Polen? Nee. Moet het fietsplaatje weer terug? Ja. Moeten ouderen op de vuilniswagen? Ja, helaas. Is onbeperkte vakantie een goed idee? Zeker. Moeten grote vakanties op de schop? Ook, want die leiden alleen maar tot meer burn-outs. Is een mooiemensenquotum gewenst? Voor. De Grexit is er niet gekomen, en de Brexit is nu ook twijfelachtig. Aan invloed ligt het niet. Heimwee naar Tante Pos of giroblauw krijgt bij lezers van deze krant veel steun. Een pleidooi voor jongelullendagen – heb je veel meer aan dan ouwelullendagen – en gepensioneerden zeurpieten noemen, leidt tot massale woede.

Als er toch moet worden gekozen, dan maar die over de bullshitjobs – de pr-adviseurs, bedrijfskundigen, ISO 9000-specialisten, marketingmedewerkers en topbestuurders die tijdens een vergadering op het idee komen iemand uit 1.600 columns de leukste te laten kiezen.

Peter de Waard

5. Hoe ga je om met sociale media, op de dag dat je column verschijnt?

Twitter is hemel en hel

Twitter is tegelijk de rijkste nieuwsbron die er bestaat en de grootste rioolput van menselijke communicatie. Toegegeven: ik ben als nieuws- en achtergrondenjunk licht verslaafd aan Twitter. Op nieuwsgebied volg ik zo’n beetje alles wat los- en vastzit. Vooral internationaal nieuws. Naast Duitse en Amerikaanse media volg ik ook Engelstalig Chinees nieuws (Xinhua News) en Scandinavisch nieuws. ‘Nieuws’ op Twitter kunnen ook politieke speeches zijn, of documenten van de EU of de VN. Als je het slim gebruikt, fungeert Twitter als een 24/7-nieuwsfabriek. Sneller, multimedialer en internationaler dan alle kranten bij elkaar!

Maar er is dus ook die andere kant van Twitter. Het menselijke riool. De scheldpartijen, de bedreigingen, de fitties. De zwart-witcultuurstrijd tussen politiek correcten en politiek incorrecten. De identiteitsoorlog tussen fanatieke antiracisten en nationalisten. Daar probeer ik zo ver mogelijk vandaan te blijven.

Het is om die reden dat ik zeer terughoudend ben mijn Volkskrant-columns op Twitter te zetten. Voor je het weet, beland je in de foute wildwestwereld van Twitter en bijten de trollen en Twitter-gekkies in je kuiten. Dan liever maar de column in de beschaafd-vertrouwde context van de krant houden. Twitter is hemel én hel: je weet nooit zeker waar je stukje terechtkomt.

René Cuperus

Rotmedia

Vanaf maandagochtend (8 uur) beantwoord ik de lezersmail van dat weekeinde. Verstandige mail veelal, leerzaam bij tijd en wijle, ontroerend een enkele keer. Zeldzaam: op vervelende toon. Als de Volkskrant de beste lezers van Nederland heeft, dan moet ‘Het Spel & De Knikkers’ hiervan weer de leukste deelverzameling aantrekken. Ik lees alles en beantwoord – in de regel – ook alle mail.

Maar het antwoord op de vraag hoe ik omga met sociale media op de dag dat mijn column verschijnt, is: niet. Want ik doe er niet aan, of nauwelijks. Deels uit zelfbescherming, want ik ken de pappenheimer die in mijn schedel woont, en die zou 24/7 gaan twitteren, facebooken, linkedinnen en wat niet al. Dat is slecht voor de geestelijke gezondheid.

Maar eerlijk gezegd vooral niet omdat het in mijn ogen rotmedia zijn die uitnodigen tot scherpte in zaken waarin nuance geboden is, tot eigendunkerij op niets af, zelfpromotie en leugenachtigheid.

Een enkele keer bereikt mij nog een echte brief. Die is dan naar de krant gestuurd, van de krant naar De Argumentenfabriek, in de fabriek in mijn postvakje beland, en daar vind ik hem dan, een paar maanden na datum. Dan schrijf ik, met welgemeende excuses, een antwoordbrief met pen en papier.

Frank Kalshoven

Even niet

Op Instagram kwam ik niet verder dan het aanmaken van een account. Naar de g-plek van Facebook zoek ik nog steeds. Maar Twitter? Weliswaar zijn die eindeloze Hoekse en Kabeljauwse twisten aldaar slaapverwekkend, voor het overige mag ik er graag toeven.

Behalve op de dag dat mijn column verschijnt.

Zeker, wie anderen de maat neemt, moet niet mekkeren als het omgekeerde gebeurt. Maar ik ontdekte al snel dat menig Twittergebruiker zijn bezwaren bij voorkeur onderbouwt door te wijzen op je leeftijd, sekse, haarkleur, huidskleur, herseninhoud en achternaam.

Kijk, daar kán de schrijvende mens zo weinig mee. Je moet het doen, nietwaar, met wat de Schepper je heeft toebedeeld. En zo’n malle achternaam kun je evenmin veranderen.

Dus ziet zo’n dag er bij mij zo uit. Ik zet mijn stukje op Twitter en ga gewoon aan het werk.

Gek genoeg vindt mijn man zulke reacties wél reuze-interessant. Komt me na een paar uur opgetogen melden dat ik ze wederom op de kast heb. Dat ik volgens DingetjeDingetje mijn achternaam eer aandoe. En dat ik er volgens PuntjePuntje wéér helemáál níéts van heb begrepen.

Echt, ik ben dol op mijn man. Maar dit enthousiasme zou me toch aan het denken moeten zetten.

Elma Drayer

Fuck populum

Beeld Frank Ruiter

Ik heb een geel hesje aangetrokken. Waarom? Omdat ik het heb gehad. Ik ben er kant en klaar mee. Waarmee? Met de asociale media. De stem van het modderfokking volk. De gewone man. Hardwerkend ook nog, GATVERDAMME. En dan vooral hoe er naar die stem geluisterd wordt. Dat mag wel een tandje, wat zeg ik, een heel gebitje minder.

Kijk, ik snap dat het een aantal jaar geleden een ding was, Twitter en Facebook. Toen was het een nieuwe interactie. Een thermometer rechtstreeks in de aars van het publiek. Maar inmiddels kan datzelfde publiek echt mijn aars kussen. Bij iedere kik die het geeft, wordt het op zijn wenken bediend. Voortdurend moeten we luisteren naar elke laffe scheet die via de onderbuik geproduceerd wordt. Vox populi? Ik zeg fuck populum. Het probleem is: doordat we sociale media zo serieus zijn gaan nemen, zijn alle reaguurders zichzelf ook veel te serieus gaan nemen. Ze denken dat ze geelgehest de straat op kunnen om ieder individueel wissewasje. Als verwende kleuters. Weten kleuters wat goed voor ze is? Nee. Kleuters zijn klootzakken. Ik weet het beter. En daarom ben ik dus boos. En ga ik zo de straat op. In mijn gele hesje.

Stella Bergsma

Uitschieters

Doet een tekening bij lezers wat ik hoopte dat die zou doen? Daar gebruik ik Facebook voor. Het gebeurt zelden, maar er gaan weleens tekeningen volledig de mist in. Miscalculaties die ik zelf nooit meer terug wil zien. En dat ik dat op het moment van tekenen niet heb zien aankomen, vind ik het allerergste. En er zijn dan toch altijd wel een paar lieverds die me liken. Stuur ik een hartje terug. Dan de records. Met de topdrie is iets wonderlijks aan de hand. Lang dacht ik dat de hemelende Wim Kok tweede zou worden (41 likes) en de pas in 2022 afscheid nemende Merkel op de eerste plaats zou komen (44 likes). Tot ik een ode aan de 25-jarige Sigmund tekende die tot mijn stomme verbazing (en tot gemengde gevoelens van Peter de Wit) ineens doorstootte naar 50 likes. Wat nooit eerder was vertoond. Goed, dan zou Sigmund winnen.

Totdat Kees van der Staaij nog een week later de Nashville-verklaring bleek te hebben ondertekend en een goddelijke hand de tekening hierover met een breed en overtuigend gebaar boven aan de lijst plaatste. Stralend, helemaal aan het eind van deze rit gezeten naast de Allerhoogste, kreeg ze (ongekend!) over de 60 likes en werd ook nog eens rond de 50 keer gedeeld.

Jos Collignon

6. Welke column zou je nu nooit meer schrijven?

Verdampende ontdekkingen

De auteur die zich afvraagt of hij wel gelezen wordt, kan ik aanraden om in een column zéér enthousiast te schrijven over een zéér dubieus onderzoek.

Je wrijft de ochtend van publicatie de slaap uit je ogen, zet je mobieltje aan en – bam! – mails van hoogleraren, honende tweets, je geliefde die bezorgd vraagt: ‘Je ziet bleek, ben je ziek?’

Voorjaar 2017 schreef ik een column over een studie van Amy Cuddy van Harvard Business School. Cuddy ‘ontdekte’ dat het aannemen van een krachtige pose – vuisten in de zij, kin omhoog – het zelfvertrouwen vergroot en leidt tot betere beoordelingen bij een sollicitatiegesprek.

Een typisch gevalletje sociaal-psychologisch mijnenveld, bleek later. Te weinig proefpersonen, resultaten net zo lang uitwringen tot er een spectaculair resultaat uitkomt, collega-wetenschappers die het experiment herhalen en niks bijzonders vinden.

Ook in andere vakgebieden zag ik de afgelopen jaren geregeld ontdekkingen verschrompelen en verdampen. Adhd-hersenen die bij nader inzien niet van normale hersenen te onderscheiden zijn. Waterbeekjes op Mars die later hoopjes stof blijken te zijn.

In de wetenschap is het twee stappen naar voren, één naar achteren. Een gekke manier van lopen, maar wel een die – vuisten in de zij, kin omhoog – uiteindelijk toch tot terreinwinst leidt.

Tonie Mudde

Fout

Op een zaterdag bevond ik mij in een winkel die de Welkoop heet. Het was ergens in de Achterhoek en bij de Welkoop vind je zaaigoed en kunstmest, maar ook een hark of een vogelhuisje.

Ik stond als liefhebber bij de kettingzagen en zag uit mijn ooghoek een bekend gezicht. Het was minister Henk Kamp. Incognito, want hij droeg een leren broek en een spijkerjasje.

Hij had mij ook gezien en sprak: ‘Jij hebt een fout gemaakt in je stukje. Ik ga jou een mail sturen.’ Ik ging onrustig huiswaarts, en daar was de mail al.

Zoals u weet, ben ik windmolenspecialist. Maar niet specialist genoeg. Ik had procent en procentpunt verward, aldus de minister. Een kleine vergissing met nogal grote gevolgen. Voor de opbrengst van de wind maar ook voor mij, want op maandag ging al snel de telefoon.

De voorlichter van de minister. Wat de Volkskrant ging doen met de mail van minister Kamp. Ik zei: we maken daar een nette rectificatie van. Zo gebeurde de volgende dag.

Maar alweer ging de telefoon. De voorlichter. Minister Kamp was ontevreden met een rectificatie op bladzijde 13. De minister verlangde dat mijn domheid breder werd uitgesmeerd. En zo is het gegaan. De les: blijf in het weekeinde uit de buurt van Henk Kamp als hij zijn leren broek aanheeft.

Martin Sommer

Alles delen

De column die ik nooit meer zou schrijven, maar dus wel geschreven heb.

Midden jaren negentig had ik een andere geliefde, en ook andere ideeën. De totale transparantie via ‘sociale media’ moest nog worden uitgevonden, maar ik was al wel columnist, ook voor de Volkskrant, en vond dat ik beroepsmatig op de zaken vooruit moest lopen. Doorschijnend moest mijn leven op krantenpapier verschijnen.

Had de Amerikaanse columnist Anna Quindlen niet gezegd: ‘A columnist is someone who’s living her life out loud’?

Haar leven, zijn leven, ik voelde me aangesproken. Het ging om het vak: alles op papier, niets achterhouden.

Zo schreef ik een lange column over vreemdgaan, vlak voordat ik naar Nijmegen ging om daar vreemd te gaan. Mijn vreemdgaan was geen toevalstreffer, het was een afspraak.

Zou het niet heel spannend zijn, dacht ik zo, om een en ander alvast te delen met mijn lezers, eerder nog dan met mijn vriend?

Alles voor de persoonlijke column.

Zo zat ik katterig in de trein van Nijmegen naar Amsterdam, zaterdagochtend, de Volkskrant net gekocht op het station. Mooi stond het erin, met beeld erbij van illustrator Ien van Laanen.

Mijn geliefde pakte diezelfde zaterdagochtend diezelfde, roerende column van onze deurmat.

Hij werd mijn ex.

Stephan Sanders

Framing

Eerlijk gezegd was mij nooit helemaal duidelijk wat ‘framing’ nou precies was, afgezien van een verwijt aan iemand op sociale media die het niet met je eens is. Maar vorig weekend kwam ik erachter dat het dus ook de reden is dat ik vrijwel nooit gezeik krijg met mijn columns. Ik zit namelijk aan de goede kant van het communicatieframe. U, arme gebruiker (het slachtoffer), wordt benadeeld door bedrijven die moeilijke producten maken (de boeven), en ik (uw koene ridder), kaart dat aan.

Behalve dan toen ik schreef – toen ik wáágde te schrijven – dat ik nog nooit een fatsoenlijke elektrische kookplaat had bediend, terwijl deze apparaten voor de acceptatie van gasloze huizen best wel een factor zouden kunnen worden. Waarbij ik ook nog de cruciale fout maakte om elke kookplaat waar een stekker aan zit elektrisch te noemen, of deze nou een hitte-element had of werkte op inductie.

Mensen werden gek. Kom aan hun elektrische kookplaat en je slaat de bodem weg onder het bestaan van een groep die zich het best laat omschrijven als de elektrische Khmer. Of inductie-Khmer, zo u wilt. Voor het eerst kreeg ik daadwerkelijk haatmail. Zoals u begrijpt, laat ik het voortaan wel uit mijn hoofd een column te schrijven waarmee ik dergelijke inductie-fundi’s voor het hoofd stoot.

Jasper van Kuijk

7. De columnist van wie ik het meest houd…

Lievelings

De columnist van wie ik houd heeft de stamina van Aaf Brandt Corstius, want af en toe een leuk stukje tikken kan iedereen, maar de waarlijk groten hebben hun stukje nog niet af, of ze moeten weer.

Mijn lievelingscolumnist heeft de nuchterheid en humor van Bert Wagendorp, want wie zichzelf en de wereld te serieus neemt, gaat ten onder aan verbetenheid.

Heeft het diepe mededogen met de mensheid, inclusief de rare snoeshanen, van Harriet Duurvoort, want een columnist zonder hart is een lul met een toetsenbord.

Tovert met taal als Toine Heijmans. Ziet prachtdetails waar anderen aan voorbijlopen, als Ariejan Korteweg. Heeft de fijne valsigheid van Arthur van Amerongen. Houdt oprecht van alle gewone mensen en hun verhalen, zoals Margriet Oostveen. Beschrijft de menselijke conditie met de zwierigheid van Sylvia Witteman. Gooit knuppels in het hoenderhok van de weldenkende gemeente met de precisie van Martin Sommer, want een columnist die de zaken niet blíjft bevragen, kan er net zo goed mee uitscheien.

Ik wilde meer lievelingsmensen noemen (Peter Middendorp! Briljant!), maar dit stukje mag niet langer, dus aan iedereen voor wie geen plek was: sorry. Een echte puntig-schrijver als Sander Donkers of Paulien Cornelisse had het wel in 200 woorden gekund.

Sheila Sitalsing

Stefan Verwey

Vandaag ga ik iemand bewonderen. Het is een collega van de Volkskrant en hij heet Stefan Verwey.

Drie redenen waarom ik Stefan Verwey bewonder:

• Stefan Verwey draagt altijd mooie jasjes. Dat maakt hem de best geklede cartoonist die ik ken. Niet dat daar veel voor nodig is, maar toch.

• Stefan Verwey heeft een echte cementmolen in zijn tuin staan. En hij weet hoe hij deze moet gebruiken. Stefan is dus niet gewoon een tekenaar, maar hij kan écht iets met zijn handen.

• Bij iedere columnist straalt zijn of haar karakter door in het werk. Bij cartoonisten is dat ook zo. De man tekent de cartoon, maar de cartoon tekent ook de man. Stefan Verwey maakt cartoons waar ik blij van word. Hij doet het al sinds mensenheugenis en nog steeds zijn ze even onbevangen als hijzelf. Als cartoonist zit je soms dagen te zoeken naar een simpel idee dat direct binnenkomt bij de lezer. Stefan Verwey kan dat als geen ander.

En dan nog een dringend verzoek: ga na afloop niet naar Stefan toe om te vragen of hij een muurtje voor u wil metselen of een wandje wil stuken. Dat gaat niet.

Peter de Wit

Beeld Peter de Wit

Favorietegekkenbal

Beste voetballer, lekkerste toetje, spannendste boek, beste film, slechtste reclame, politicus van het jaar. Als ik door een straatenquêteur met het mes op de keel gedwongen word, vul ik wel wat in. De krant staat vol columnisten en daar moet nu ook een lijstje van komen, want dat is leuk voor u. Van de zeven vragen die het organiserende comité ons cursiefjesbakkers voorlegde, trek ik godbetert net de vraag welke stukjesschrijver mijn favoriet is. De een nomineren betekent de ander desavoueren.

‘Ah, jij bent die huisarts. Houd er rekening mee: ze zijn hier allemaal gek’, zei een beroemde columnist toen ik, amateur, vorig jaar hier mijn opwachting maakte. ‘Dat valt vast mee. Ik ben gewend om met gekken om te gaan en Sigmund is hier ook, toch?’ Van sport heb ik nooit iets begrepen, dus vallen een boel columnisten automatisch af. Elk groot of klein leed heeft in deze krant een pleitbezorger. Als huisarts handel ik in diverse soorten leed. Het grootste leed is dat waarvan de drager is vergeten dat het leed is. Toine Heijmans schrijft zo ontzettend mooi over de tragiek van zijn oplossende vader dat hij van al mijn dierbare columnisten toch echt de beste is.

Joost Zaat

Renate Rubinstein

In 4 gymnasium vroeg de leraar Nederlands ons datgene mee te nemen wat je het allerliefst las. Ik knipte uit de voorpagina van de Volkskrant de column van Stoker; dat was wat ik het liefst las. Ontzet was ik toen Hugo Brandt Corstius datzelfde jaar de P.C. Hooftprijs niet kreeg. Een jaar later stopte hij met zijn column in de Volkskrant en verlegde ik mijn aandacht naar zijn vrouwelijke evenknie, Renate Rubinstein.

Wat ik het meest bewonder in Renate Rubinstein, naast haar scherpte en originaliteit, is dat ze even indringend over wereldproblematiek schreef als over intieme, persoonlijke zaken. Rubinstein schreef dat ze pas overtuigd zou zijn van de emancipatie van de vrouw op de dag dat de slager, gevraagd om twee biefstukken, twee gelijke lapjes afsneed. Renate, ik ben bang dat Albert Heijn standaard een grote biefstuk samen met een kleine voorverpakt – de ladysteak, zoals dat catchy heet.

Wat me natuurlijk ook intrigeerde, was dat Rubinstein in een bittere vete was verwikkeld met haar collega-columnist en ex-geliefde Hugo Brandt Corstius. Daar houden chefs opinie tegenwoordig niet van, dat columnisten op elkaar reageren. Te veel ons kent ons, klinkt het dan. Maar ik vind zulke brouilles en veten juist knus en gezellig, iets waar onze tijd meer van gebruiken kan.

Heleen Mees

Bert Wagendorp

Als ik je zie

Kom je gelijk binnen

Ik hoef niet te tellen

Om te zien dat het klopt

Wat jij ziet

Hangt bij mij aan de muur

Wat ik zie

Komt bij jou door het keukenraam

Ik kan hoogstens zeggen

Ik zie je te weinig

Maar ik zie je gelukkig

In de krant.

Johnny Ceres Jr.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.