Onschuldig eruit willen zien werkt bij mij vaak averechts

Ik doe nooit iets, maar anderen denken van wel. Kwestie van vooruit verdedigen.

Op luchthavens, in boekenwinkels, in bioscopen en in supermarkten gedraag ik mij al jaren als een lid van een zojuist opgerichte guerrillabeweging. Ik doe geen vlieg kwaad, reken altijd alles netjes af en toch word ik gemiddeld vier keer per jaar met een lampje in mijn kont gekeken.

Ik gedraag mij, zonder dat ik dat wil, altijd als iemand die iets wil laten ontploffen of iets wil stelen. Vooral op Schiphol is dat lastig. Ik denk dat ik te veel vooruit verdedig. Zoiets moet het zijn. Enkele maanden geleden vroeg Tanja, vlak voordat we onze auto parkeerden, wat ik in godsnaam allemaal aan het rommelen was. Ik vertelde haar dat ik voor de zekerheid mijn riem alvast afdeed.

Het was niet de eerste keer dat ik obsessief bezig was met mijn riem. Twee vakanties eerder droeg ik opeens een stuk touw om mijn middel. 'Net zo handig als een riem', bleef ik maar benadrukken. Echt, ik miste mijn gewone riem met ijzeren onderdelen geen moment. Gek was ik eigelijk dat ik nu pas een stuk sisal als riem gebruikte.

'Dat valt juist op', zei Tanja. 'Ze denken bij de douane: waarom loopt die gast daar als Robinson Crusoe door onze belastingvrije zone te scharrelen. Je lijkt op Tom Hanks in die ene film. Dat hij tegen een voetbal lult.'

Die constatering maakte mij radeloos. Ik kon het nooit goed doen. Met een ijzeren gesp aan mijn riem was ik ook de lul. Want zo ging het steeds als ik op Schiphol was. Ik wilde blijkbaar zo opzichtig aan iedereen laten zien dat ik geen terrorist was, dat het begon op te vallen. Ik kon ze bijna horen, de gesprekjes in de Centrale Regelkamer. 'Jongens, die man daar, bij de draaideur, met zijn schoenen en zijn sokken in zijn hand, wat gaan we daar mee doen? Hij laat nu zijn koffer voor de derde keer sealen.'

Ik heb dat al een leven lang. Juist doordat ik probeer te lopen als iemand die niet zestien sloffen sigaretten en vier levende katjes uit Griekenland heeft meegenomen, word ik er tussenuit gepikt. Nog nooit is er iets gevonden. Laat mij met een laptop richting de Verenigde Staten vertrekken en ik zit binnen een dag in een oranje broekpak uit te leggen waarom ik zo raar deed.

Dat komt allemaal door Jan Wolkers. Ooit heb ik zijn boek De kus gestolen. Ik was 17 jaar oud, ik had een vriendin en geen geld. Het stelen - en dat is dan nog in elk geval wat - was een ouderwetse hit-and-run. Geen gedoe met wijde jassen en speciale vakjes in de voering, nee, pang, het dikste boek pakken en op volle kracht de winkel uit draven.

Vier straten verder keek ik wat ik had gestolen. Kut, dat zag er verdomd nieuw uit. Ik maakte met mijn duim de blz. vies, brak de kaft, wreef wat slijm over een seksuele passage en bood het daarna aan bij De Slegte. 'Zo, zo, nu al uit', zei de verkoper. 'Eergisteren pas verschenen.' Ik zei dat ik Wolkers een heel goede schrijver vond. 2 gulden kon ik ervoor krijgen.

Zo is het gekomen. Zet mij in een supermarkt en het lijkt alsof ik potten pindakaas steel. Laat mij naar een 3D-film gaan en ze tellen de brillen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden