Ons pensioenstelsel wordt uitgekleed

Pensioenakkoord gefikst ? Ik dacht van niet. De vooruitzichten zijn grimmig en de vakbonden staan erbij en kijken ernaar. Parlement, neem uw verantwoordelijkheid. Er is voor te zeggen om reeds in 2011 te beginnen met een verhoging van de AOW-leeftijd.

Bernard van Praag

Na lang delibereren zijn werkgevers en werknemers erin geslaagd een pensioen akkoord te formuleren. Of dit ook de instemming van de SER-kroonleden heeft, valt uit de eerste persberichten nog niet af te leiden. Het is natuurlijk altijd goed wanneer er consensus gloort, maar toch kunnen ook een paar prangende vragen gesteld worden. Het akkoord gaat zowel over de AOW als over de aanvullende pensioenen.

Partijen stellen voor, de AOW leeftijd pas in 2020 te verhogen naar 66. Het lijkt erop dat men zich niet bewust is in wat voor noodsituatie wij verkeren met de AOW. Het is natuurlijk duidelijk dat niemand het leuk vindt opeens een jaar langer te moeten doorwerken dan zijn buurman die een jaar jonger is. De pijn wordt echter veel minder wanneer de aanpassing gaat in stapjes van een of twee maanden. Dat is ook wat men in vele andere landen doet of van plan is te doen. Waarom dat in Nederland uitvoeringstechnisch zoveel moeilijker zou zijn dan in andere landen, valt niet in te zien.

Anderzijds heeft de verhoging van de AOW-leeftijd een zekere urgentie. De AOW wordt nu al voor ongeveer eenderde uit de algemene middelen betaald en verhoogt dus de overheidsuitgaven, en dat zal elk jaar nog stijgen. Er is dus alles voor te zeggen om door de zure appel heen te bijten en reeds in 2011 te beginnen met een verhoging van de AOW-leeftijd met stappen van twee maanden per jaar.

Aangezien de pensioenleeftijd voor het aanvullend pensioen gelijk dient te zijn aan de AOW, impliceert dit ook een verhoging van de leeftijd waarop het aanvullend pensioen ingaat. Ook dit is hoogst welkom, want onze pensioenreserves zijn te laag om de pensioenen uit te betalen. Zo een jaar langer premie betalen en een jaar korter pensioen krijgen, scheelt dan wel een slok op een borrel voor het pensioenfonds.

Pijnpunten
Toch zitten er ook hier nog wel twee pijnpunten. Hoewel de AOW- uitkeringen in het akkoord gekoppeld worden aan de reële loonontwikkeling, hullen partijen zich in stilzwijgen wat betreft een soortgelijke indexatie voor de aanvullende pensioenen. Dat doet het ergste vrezen. Vooral wanneer er dan ook nog wordt gesteld dat de ‘pensioenpremies in principe niet zullen stijgen’. Laten we hopen dat we het hier over percentages heben. Wanneer de pensioenpremies ook stijgen met de reële lonen is er natuurlijk weinig reden om de pensioenen niet te indexeren. Het is ook helemaal niet duidelijk waarom de pensioenpercentages niet zouden kunnen stijgen als dat nodig wordt gevonden. Dat lijkt ook niet onlogisch als we nog niet zo lang geleden 14 jaar van ons pensioen genoten en we in 2045 wel 22 jaar doorleven na ons 65ste.

Werkgevers betalen nu ongeveer tweederde tot de helft van de pensioenpremie, en daarom zijn zij niet voor een verhoging van de premie(percentages). Daar valt zelfs begrip voor op te brengen, omdat wij ons met onze arbeidskosten anders uit de internationale markt prijzen. Dat belet de werknemers echter niet om een groter absoluut bedrag voor hun pensioen te reserveren, waarbij – om de arbeidskosten voor werkgevers niet op te drijven – het werkgeversdeel niet stijgt. Dat betekent dus een verlaging van het netto beschikbaar loon ten gunste van het uitgesteld loon. Of men dat wil is uiteraard een beslissing van werknemers, en het is bekend dat veel werknemers niet erg vaak met hun pensioen bezig zijn en dus weinig belang hechten aan een premieverhoging.

Riskante toekomst
Gezien de riskante toekomst van ons huidige pensioensysteem zou ik daar wel voor zijn. De vooruitzichten voor de toekomst zijn op zijn minst grimmig. Een blijvend lage rentevoet, een zeer bescheiden groei en een permanente inflatie van circa 2 procent. Dan denk ik nog niet aan de perikelen rond de euro. Om ons daartegen te wapenen is een forse premieverhoging zonder meer noodzakelijk. Als we dan ook nog lezen dat ‘de hoogte van de pensioenuitkeringen (deels) gekoppeld zal worden aan de beleggingsresultaten’, dan is wel duidelijk hoe de wind waait. Het pensioensysteem wordt uitgekleed en de vakbonden staan erbij en kijken ernaar.

De vraag is natuurlijk wel of de vakbonden de beroepsbevolking, waarvoor zij praten, ook vertegenwoordigen. Slechts 1 op de 5 werkers is lid en bij jongeren is de organisatiegraad slechts 8 procent. De pretentie dat vakbonden de belangen van gepensioneerden vertegenwoordigen, wordt niet gedeeld door de meeste verenigingen van gepensioneerden, die hartstochtelijk eisen dat zij zelf mee mogen praten.

Kortom, het is een onrepresentatief akkoord, dat niet in het belang is van werknemers en gepensioneerden. Natuurlijk dienen deze zwaarwegende zaken geregeld te worden in het parlement. Sociale partners kunnen adviseren, maar parlementariërs zijn niet gehouden dat advies te volgen. Het is duidelijk, de materie is hete brij, maar je kunt er niet tot in het oneindige omheen blijven dansen. Van de politieke partijen hoor je in deze verkiezingstijd verrassend weinig. Parlement, hier ligt een taak.

null Beeld

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden