ColumnEva en Eddy Posthuma de Boer

Ongevraagd tapt Jaap drie vaasjes, waarvan Maarten de eerste aan de bar in een teug leegt

null Beeld

Het is januari 2004. Maarten van Roozendaal leeft nog en windt er geen doekjes om: onze plaats van ontmoeting móet café Brandon zijn. Ik mag hem interviewen voor het boek Rinus aan de Rekstok (Amsterdams voor Jezus aan het kruis) (volgens de uitgever een onverkoopbare titel) (waar hij later gelijk in krijgt). We hebben het vooral over vluchten.

De barman heet Jaap. Maarten kent Jaap op omhelsniveau. Ongevraagd tapt Jaap drie vaasjes bier, waarvan Maarten de eerste aan de bar in een teug leegt. Met de andere twee tussen zijn krachtige pianovingers geklemd gaat hij mij voor naar een tafeltje achterin. Het is pas 4 uur ’s middags, maar ik volg met een witte wijn – als je met de beste drinker van het land het café in mag, doe je niet kinderachtig.

Vaasje twee ziet de bodem voor we zitten. Maarten van Roozendaal, de schrijver van onsterfelijke zinnen als ‘ik ben goddank dus nog een keer jonge lente waard’, ‘red mij niet’, en ‘om te janken zo mooi’, steekt een sigaret op. Vluchten, dus. Hij lacht; daarover heeft hij wel het een en ander te melden. Optreden en heel veel drinken, daarin vlucht hij. Het is vluchten voor het bewustzijn van het eindige. Omdat hij het rondlopen op aarde nogal indrukwekkend vindt. Omdat het straks ophoudt, een besef dat bij hem overdreven vooraan staat, al zo lang hij praten en denken kan. ‘Even pissen.’ Op zijn weg naar de wc, wijzend naar ons tafeltje: ‘Jaap?’

Na vaasje zes legt Maarten uit dat alles veel indruk op hem maakt, ongecensureerd binnenkomt. Het druk is in zijn hoofd. Drank daarbij helpt, verdoofd, minder bewust maakt. ‘Vaak hoor ik achteraf dat mensen het heel leuk met me hebben gehad. Jaap?’ 

Hij vindt het een wonder: je wordt geboren en je gaat dood. ‘Door de hiernamaalsgedachte gaan mensen krampachtig leven. Terwijl het appeltje-eitje is: niet stelen en niet liegen. Daar kun je hoogdravend over doen, dat die regels van een god komen, maar het is gewoon het handigst om van elkaars spullen af te blijven, elkaar de ruimte te geven en niet dood te slaan. Lekker Jaap!’

Het einde van onze avond valt samen met het sluiten van de kroeg. Mijn bedwelmde hoofd slaat al een tijdje nog slechts flarden op van al het moois wat Maarten zegt en waarvan hijzelf morgen mogelijk dus niets meer weet. Maar in de buitenlucht, daar op de hoek van de twee grachten, hoor ik hem weer helder. Onthouden dit, denk ik. Nooit vergeten hoe ik hier met Maarten sta. ‘Soms als ik in bed lig krijg ik weer het jongetjesgevoel,’ zegt hij, ‘Dan denk ik: waarom doe ik mezelf dit aan? Het is niet lief om dit jongetje vol te stoppen met drank en sigaretten.’ Hij schiet zijn peuk weg en grijnst zijn onnavolgbare Maartengrijns. ‘Idioot, toch? Ik ben als de dood en ren ernaartoe.’ 

Café Brandon, Amsterdam, 1984 Beeld Eddy Posthuma de Boer
Café Brandon, Amsterdam, 1984Beeld Eddy Posthuma de Boer
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden