Essay

Oneindige groei op een eindige planeet – het kan

Economische groei hoeft niet ten koste te gaan van natuur en milieu. We doen steeds méér met minder, schrijft journalist en filosoof Ralf Bodelier (61). Daarbij maken we in toenemende mate gebruik van een grondstof waarvan de voorraad groeit: onze hersens.

Ralf Bodelier
null Beeld Olivier Heiligers
Beeld Olivier Heiligers

Vijftig jaar geleden, in 1972, publiceerde de Club van Rome, een groep wetenschappers en industriëlen, het rapport Grenzen aan de groei. De club meende dat een snel groeiende economie en een al even snel groeiende wereldbevolking dramatische gevolgen zouden hebben. Nog voor het jaar 2000 zou de voedselproductie instorten, zouden de grondstoffen opraken en zou het afval zich langs de straten ophopen.

Niets van dit alles gebeurde. Maar de alarmbellen bleven rinkelen. Onverminderd hoor je over een grondstoffencrisis, een milieucrisis, een energiecrisis, een stikstofcrisis, een biodiversiteitscrisis en, natuurlijk, een klimaatcrisis. En de remedie blijft die uit 1972: we moeten grenzen stellen aan onze economische groei. We moeten fors terug, we moeten drastisch consuminderen. Veel minder vliegen, minder spullen kopen, onze huizen minder koelen en verwarmen, en, uiteraard, minder kinderen krijgen.

Dat klinkt logisch, en consuminderen is een mooi ideaal. Door particulier en gemeenschappelijk een ferme stap terug te doen, laten we grondstoffen in de grond, stoten we minder CO2 uit en geven we de natuur de kans zich te herstellen.

Niemand doet het

Er is maar één probleem: er is vrijwel niemand die het doet. Geen enkel land overweegt zijn economische groei af te remmen, laat staan die stop te zetten. Ook individuele burgers zijn daar maar amper toe bereid. En misschien is dat maar goed ook, want economische groei levert niet alleen maar problemen op. Dankzij onze groeiende economieën groeien ook onze welvaart, onze gezondheid en ons geluk. Dat gebeurt niet alleen in het rijke deel van de wereld; economische groei komt vooral ten goede aan de allerarmsten, aan mensen in India, Bangladesh of Ethiopië.

Economische groei kan vervuiling betekenen, lange werkdagen en geestdodend werk in sombere fabriekshallen. Maar economische groei betekent ook een drastisch dalende kindersterfte en het stevig terugdringen van dodelijke ziekten als mazelen, polio en malaria. Dankzij economische groei zijn de afgelopen decennia een miljard mensen uit de extreme armoede ontsnapt. Bovendien werden we, wereldwijd, een heel stuk gezonder. Sinds 1972 is in Nederland de levensverwachting met 8 jaar gestegen. In India is de levensverwachting met 20 jaar omhooggegaan, en in Ethiopië en Bangladesh met maar liefst 23 jaar.

Anders dan consuminderaars bepleiten, hebben we, wereldwijd, dan ook niet minder groei nodig maar méér. Meer energie, meer welvaart, meer onderwijs, meer gezondheidszorg, meer schone technologie. En ja, ook meer bossen en meer schone zeeën en meer frisse lucht. In 2020 schreef ik er met anderen een boek over: Meer – Hoe overvloed de wereld juist duurzamer en welvarender maakt. Veel haalde het boek niet uit. Degrowth of consuminderen groeien in populariteit. Althans, in het denken, in het hopen en het wensen. Niet in het leven van alledag.

Covid als testcase

Tot in februari 2020 covid-19 arriveerde. Noodgedwongen begonnen we te consuminderen. En dat deden we wereldwijd op een schaal die zelfs de Club van Rome zich niet had kunnen voorstellen. Alles werd minder. Half april van dat jaar bewoog niets meer. We reisden en vlogen nog maar amper. We konden niet meer naar bioscopen, theaters, restaurants, sportscholen, musea, festivals en winkels.

Voor het ideaal dat consuminderen heet was het een interessante testcase. Als het in 2020 zou lukken om de uitstoot van CO2 flink terug te dringen, waarom zou zoiets dan ook niet lukken in postcoronatijd? Nu wereldwijd de lucht blauw kleurde door de afwezigheid van vliegtuigen, nu van Tokio tot New York files verdwenen, nu de klimaatbeheersing in miljoenen kantoren op de spaarstand ging, nu we het openbaar vervoer afschaalden omdat studenten toch niet meer naar school mochten – afijn, nu niets en niemand meer bewoog, moest de uitstoot van CO2 toch wel enorm dalen? Wie weet zou die wel halveren, of meer dan dat. En als het nu niet gebeurde, wanneer dan wel?

Aanvankelijk zagen de cijfers er interessant uit. In 2020 zakte de uitstoot van CO2 met maar liefst 2 miljard ton. Dat is veel. Maar in percentages viel de dalende CO2-uitstoot lelijk tegen: volgens berekeningen van het Internationaal Energieagentschap (IEA) ging het uiteindelijk om een afname van zo’n 6 procent over heel 2020. Een volle 94 procent van onze CO2-uitstoot bleef dus onaangetast. Domweg doordat we maar bleven eten, ons maar bleven kleden en we onze huizen maar bleven verwarmen en koelen. Doordat we onze ouderen bleven verzorgen, kinderen bleven onderwijzen en onze ziekenhuizen openhielden.

En zo liep de grootste testcase voor degrowth en consuminderen uit op een teleurstelling. Voor de voorstanders van matiging was het een bittere pil. Als het in een volledige lockdown nog niet lukte om te consuminderen, hoe zou het dan ooit moeten lukken in een normaal draaiende samenleving?

Meer met minder

Of we ze nu crises noemen of niet: de grote uitdagingen worden er niet minder om. Linksom of rechtsom moeten we onze CO2-emissie terugdringen. Natuurgebieden moeten groeien in omvang en kwaliteit. Armoede moet verder afnemen. Een miljard mensen verlangt nog steeds naar een stopcontact. Als consuminderen niet de gedroomde oplossing is, zullen we onze zinnen moeten zetten op iets anders. Op iets wat beter werkt, waar we voor willen gaan en dat ons blijft motiveren.

Wellicht hoeven we daar niet heel lang naar te zoeken. Sinds de eeuwwisseling blijkt economische groei niet langer gepaard te gaan met een hoger energiegebruik, meer CO2-uitstoot of verdere exploitatie van kwetsbare gebieden. Althans in welvarende landen. Terwijl onze rijkdom toeneemt, blijken we niet méér maar minder beslag te leggen op onze natuurlijke omgeving. Steeds vaker gaat economische groei hand in hand met meer natuur en een afnemende uitstoot van CO2. In één zin: we ontkoppelen de natuur van onze economische groei.

Ik lees erover bij een aantal Amerikaanse auteurs, onder wie milieuwetenschapper Jesse Ausubel, MIT-econoom Andrew McAfee en de jonge klimaatwetenschapper Zeke Hausfather van het IPCC (de Intergouvernementele Werkgroep inzake Klimaatverandering van de VN). Zij betogen dat onze welvaart wereldwijd blijft stijgen, maar dat we per persoon en in de welvarendste landen minder grondstoffen gebruiken en minder CO2 uitstoten.

Dat gebeurt in twee fasen. Eerst, zo zeggen deze onderzoekers, nemen het gebruik van grondstoffen en de uitstoot van CO2 wat minder toe dan de welvaart – relatieve ontkoppeling. Vervolgens nemen het gebruik van grondstoffen en de uitstoot van CO2 werkelijk af, terwijl de welvaart maar blijft doorgroeien – absolute ontkoppeling.

Jaren tachtig

Een mooie illustratie van ontkoppeling begint met een huiskamer uit de jaren tachtig. Daar staan een zware beeldbuistelevisie, een platenspeler, cassettedeck, radio, versterker, bandrecorder, videorecorder, geluidsboxen, langspeelplaten en cassettebandjes. Vaak zijn er ook nog geluids- en videobanden, fotoalbums en dozen met dia’s. Op het bureau staan een typemachine, een rekenmachine en een fax. Wie van lezen houdt, heeft afgeladen boekenkasten. Samen zijn al die dingen goed voor vele honderden kilo’s aan grondstoffen.

Dat was in de jaren tachtig. Vandaag dragen we al die spullen mee in een smartphone van 200 gram. Het ding bevat ook nog eens een agenda, een radio, een foto- en een filmcamera, plus schoenendozen vol familiefoto’s, honderden kranten en alle brieven inclusief de complete brievenbus. Ja, voor zo’n smartphone heb je energieslurpende servers nodig en een hoop goud, kobalt en lithium. Maar die hoeveelheden vallen in het niet bij het energiegebruik en de hoeveelheid grondstoffen voor al die apparaten van veertig jaar terug. De smartphone is dan wel het mooiste voorbeeld, het is niet het enige. Woog een simpel bierblikje bij zijn introductie negentig jaar geleden nog bijna 85 gram, vandaag is het amper 10 gram. Met het metaal waarmee we toen één blikje produceerden, maken we er nu dus meer dan acht.

Het meest bemoedigende voorbeeld is nog wel de dalende uitstoot van CO2. Terwijl deze wereldwijd nog stijgt, daalt hij alweer in rijke landen als Japan, Australië en Brazilië. In de Europese Unie piekte de uitstoot al in 1979; in dat jaar joegen we nog 4,7 miljard ton CO2 de lucht in, vandaag is dat 2,9 miljard ton. In de Verenigde Staten is het niet anders: in 2000 piekte de uitstoot van CO2 met 6 miljard ton, vandaag gaat het om 4,7 miljard ton.

En dan is er nog de ontkoppeling tussen welvaart en kindertal. Het ligt voor de hand dat rijke mensen meer kinderen nemen, want zij kunnen dat immers betalen. Maar het omgekeerde is het geval: een stijgende welvaart leidt tot minder kinderen. Terwijl vrouwen in straatarme landen als Niger of Somalië nog meer dan zes kinderen baren, ligt dat aantal in rijke landen ruim onder de twee. Wie bang is voor overbevolking doet er dus goed aan om in de armste landen de welvaart te bevorderen. Ik weet het, het klinkt tegenintuïtief. Maar juist door het bevorderen van welvaart voor iedereen maken we oneindige groei mogelijk op een eindige planeet.

Enorme auto’s

Het is geen toeval dat vooral Amerikaanse wetenschappers op het verschijnsel van ontkoppeling wijzen. Een bedrijf met de naam American Can Company vond ooit het bierblikje uit en in dezelfde VS voltrok zich ook de innovatie die het blikje zo licht maakte. Het was het Amerikaanse IBM dat in 1994 de eerste smartphone op de markt bracht. De beste smartphone van dit moment, de iPhone 13, is nog steeds Amerikaans. Nu wil het cliché dat Amerika het land is van de enorme auto’s, enorme huizen en enorme mensen die enorme hamburgers wegwerken; geen wonder dus dat ontkoppeling hier het eerst werd opgemerkt. Toen de Amerikaanse auto-industrie in de jaren tachtig overschakelde op lichtere Europese en Aziatische modellen, betekende dat een enorme daling van de hoeveelheden staal, aluminium, koper, glas, rubber en benzine.

Voor zijn boek More from Less (2019) bekeek econoom Andrew McAfee de zeventig grondstoffen waarvan het gebruik wordt bijgehouden door de US Geological Survey. Bij maar liefst 64 grondstoffen zag hij een afname. In de Europese Unie meldden onderzoekers van Eurostat iets vergelijkbaars. Ook wij doen steeds meer met minder. Sinds het jaar 2000 hebben we voor dezelfde hoeveelheid diensten en producten een kwart minder grondstoffen nodig. ‘Relatieve ontkoppeling is al wijdverbreid in Oeso-lidstaten’, schrijft de Oeso (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling), de club van 38 rijke landen. ‘Maar ook absolute ontkoppeling is nu heel gebruikelijk, al is verdere ontkoppeling noodzakelijk.’ En dat is zonder meer waar.

Terwijl we grondstoffen vaker in de grond laten, maken we in toenemende mate gebruik van een heel bijzondere grondstof. Het is er een waarvan de wereldwijde voorraad alleen nog maar groeit: onze hersens. Want ontkoppeling komt niet uit de lucht vallen; ontkoppeling is het gevolg van denken, onderzoeken en samenwerken. Ontkoppeling is een kwestie van innovatie.

Consuminderen doen we vaak met lange tanden, als we er überhaupt al aan beginnen. Tot innoveren hoeft niemand ons aan te zetten. Innovatie is interessant, uitdagend, scheppend. En dat geldt des te meer wanneer innovatie leidt tot meer welvaart en daarmee gunstig uitpakt voor het milieu, het klimaat en het leven van de allerarmsten.

Zeker, niet elke innovatie pakt daar positief voor uit. En soms beloven innovaties meer dan ze opleveren. Maar zonder innovaties kun je de enorme vooruitgang van de afgelopen eeuwen simpelweg niet verklaren.

Voedselproductie

Als ontkoppeling ergens nodig is, dan is het wel in onze voedselproductie. Want hoe we het ook wenden of keren, nu zijn we nog met 7,9 miljard wereldburgers, maar rond 2060 zullen we 9,7 miljard monden moeten voeden, inclusief het miljard dat ook vandaag nog niet over voldoende rijst, graan of cassave beschikt. (Na 2060 begint de wereldbevolking overigens weer af te nemen.) Op dit moment gebruiken we maar liefst 38 procent van het aardoppervlak voor landbouw; dat is niet bevorderlijk voor de wereldwijde biodiversiteit en het terugdringen van de CO2-uitstoot.

Gelukkig beginnen we ook onze voedselproductie te ontkoppelen: we halen meer landbouwproducten van minder grond. Zo voeden we vandaag 7,9 miljard mensen met producten van dezelfde 38 procent van het aardoppervlak als in 1961, toen we nog met 3 miljard waren. We produceren dus heel veel meer voedsel zonder er meer grond voor te gebruiken. Opnieuw draait het om innovatie: boeren maken gebruik van betere meststoffen, gewasbeschermers en biotechnologie.

In Nederland zien we het met eigen ogen. Hoewel ook onze bevolking blijft groeien, hebben we geen behoefte aan nog meer landbouwgrond. Het tegendeel lijkt zelfs het geval, we onttrekken grond aan de landbouw. Dat doen we van Tiengemeten in het Haringvliet en de Crezéepolder in Ridderkerk tot de Hertogin Hedwigepolder in Zeeland. Waar tot voor kort uien, graan of maïs werden geoogst, worden nu niet alleen wegen aangelegd of huizen gebouwd, er groeien ook jakobskruiskruid, orchideeën en zwarte populieren. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek kreeg alleen al tussen 2012 en 2015 ruim 15 duizend hectare landbouwgrond een andere bestemming. Dat waren ongeveer twintig voetbalvelden per dag. Een aanmerkelijk deel daarvan werd omgezet in natuur.

De FAO, de landbouworganisatie van de Verenigde Naties, heeft uitgerekend uit dat we in twintig jaar tijd 0,1 miljard hectare minder landbouwgrond zijn gaan gebruiken. Deze daling lijkt wellicht piepklein, maar ze vond plaats terwijl de wereldbevolking met 1,6 miljard toenam. Absolute ontkoppeling dus. Als dit zo doorgaat, zal tegen het midden van de 21ste eeuw een gebied ter grootte van India geen landbouwgrond meer zijn. Omdat tegen die tijd ook de wereldbevolking begint te dalen, zal een groot deel van die grond veranderen in natuur. Ik vind dat een opwindend vooruitzicht.

Ralf Bodelier Beeld DM
Ralf BodelierBeeld DM

Ralf Bodelier is filosoof. Van hem verscheen in juni 2022 Lang leve de mens – Redden we het ook met 10 miljard?

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden