Opinie Nederlandse oorlogs­misdaden in Indonesië

Onderzoek ‘Indië’ samen met Indonesiërs

Betrek Indonesiërs bij het onderzoek naar ­Nederlandse oorlogs­misdaden in Indonesië.

Een groep Nederlandse militairen poseert bij een tijdens een zuiveringsactie gevangen genomen mortiergroep van de Indonesische strijdkrachten, 1948. Beeld .

Twee jaar geleden werd het nieuws bekendgemaakt: de Nederlandse overheid stelde 4,1 miljoen euro beschikbaar om nu eindelijk eens goed op een rijtje te zetten wat Nederlandse soldaten nou precies hadden uitgevoerd in Indonesië in de jaren ’45-’49. De rechtszaken tegen de Nederlandse staat van Indonesische burgerslachtoffers liepen immers op en er verscheen een uitgebreide studie van historicus Remy Limpach, De Brandende Kampongs van Generaal Spoor, waarin voorgoed werd afgerekend met het idee dat Nederlandse oorlogsmisdaden slechts excessen waren. ‘We moeten in de spiegel van ons eigen verleden durven kijken’, stelde toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Bert Koenders. Met de ministerraad keurde hij een onderzoeksvoorstel van de drie instituten NIOD, KITLV en NIMH goed.

Inmiddels is het onderzoek zo’n ­anderhalf jaar geleden van start ­gegaan en moet binnen vier jaar duidelijk worden waarom en op welke manier het geweld ten opzichte van de mensen die vochten voor een vrij Indonesië zo uit de hand heeft kunnen lopen. ‘Klinkt goed’, zal eenieder zeggen die een volledige geschiedschrijving nastreeft, en op die manier reageerden ook de Nederlandse ­media. In DWDD van 17 januari werd het onderzoek bijvoorbeeld nog ­geprezen als een ode aan veteraan en klokkenluider Joop Hueting en noemde Ad van Liempt het onderzoek zo interessant omdat er Indonesische onderzoekers aan meewerken die volgens hem beschikking hebben over andere bronnen dan wij in ­Nederland. Je zou er bijna door denken dat we straks écht ons koloniale verleden kritisch gaan bekijken.

Eigen studie

Echter, wie het onderzoek intensiever en kritischer volgt, zal weten dat er naast deze lovende woorden ook een open brief is aangeboden aan de Tweede Kamer. Die is opgesteld door de 92-jarige Francisca Pattipilohy en Jeffry Pondaag van het Comité Nederlandse Ereschulden, dat samen met advocaat Liesbeth Zegveld opkomt voor Indonesische burgerslachtoffers. De open brief bevat dertien punten van kritiek die zo serieus zijn, dat de drie instituten de openbriefschrijvers en een aantal van de 140 ondertekenaars – internationale onderzoekers, journalisten, studenten en activisten – uitnodigden voor een gesprek afgelopen donderdag op het NIOD.

De bijeenkomst was interessant – ik was aanwezig als een van de brief­ondertekenaars – maar niet geheel ­bevredigend. Wat ik vooral zag, was een groep historici die zelf claimen ­alles uit de kast te willen halen, maar tegelijkertijd vastzitten aan een problematische onderzoeksopzet.

Zo kwam naar voren dat het Indonesische team dat bij het onderzoek betrokken is geen deel uitmaakt van de Nederlandse onderzoeksprojecten. In plaats daarvan werkt een aantal Indonesische historici – wie dit zijn en aan welke universiteit ze verbonden zijn bleef nog onduidelijk – aan een eigen aparte studie met een focus op de invloed van Nederlands geweld op Indonesische slachtoffers, getuigen en nabestaanden. Uiteraard is het nuttig dat zo’n onderzoek wordt uitgevoerd, maar het betekent wel dat geen enkele andere partij van buitenaf de Nederlandse historici in de gaten houdt of uitdaagt in perspectieven of – zoals Ad van Liempt verkondigde – Indonesische bronnen aandraagt die direct betrekking hebben op het aantonen van de omvang van Nederlandse geweldstoepassing.

Het doet de vraag rijzen wat dit ­onderzoek dan kritischer maakt dan iedere andere Nederlandse publicatie die al rondom dit thema is verschenen. Je zou op zijn minst verwachten dat een land dat zijn eigen oorlogsmisdaden gaat onderzoeken dit doet in samenwerking met de slachtoffers en eventueel nog een andere onafhankelijke (internationale) partij.

Merkwaardige keuze

Dat dit niet het geval is, toont dat het onderzoek slechts stoelt op het vertrouwen dat we moeten hebben in de integriteit van Nederlandse historici. Het is een vertrouwen dat moeilijk te verkrijgen is, aangezien naast het ontbreken van een Indonesische stem binnen het Nederlandse onderzoekskader ook niemand binnen het KITLV, NIOD of het NIMH het eerder van belang vond om bij het vormgeven van het onderzoek een Indonesische organisatie bij de maatschappelijke klankbordgroep te betrekken.

In plaats daarvan gingen de hoofden van het onderzoek aan tafel met een aantal organisaties die Nederlandse burgerslachtoffers bijstaan, zoals stichting Pelita en het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Het lijkt me een merkwaardige keuze – alsof een groep Duitse onderzoekers de Tweede Wereldoorlog in Nederland gaat onderzoeken en vervolgens stichtingen die opkomen voor Duitse (militaire) slachtoffers uitnodigt voor een klankbordgroep, in plaats van stichtingen voor Nederlandse getroffenen.

Dat er nu – na anderhalf jaar – eindelijk een gesprek heeft plaatsgevonden tussen onderzoekers en critici kan ik alleen maar aanmoedigen. Toch blijft het zaak om nu niet achterover te gaan leunen en de resultaten af te wachten – ook Nederlandse ­onderzoekers moeten wakker gehouden worden.

Wie daar na het lezen van dit stuk nog niet van overtuigd is, raad ik van harte aan de open brief te lezen, te vinden op www.historibersama.com. 

Lara Nuberg is historicus en schrijver van de blog gewooneenindischmeisje.nl. 

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden