Column Nadia Ezzeroili

Onderschat het belang van opkomstliedjes niet: bij identiteitspolitiek hoort identiteitsmuziek

Niet iedereen heeft het meegekregen, maar in juli voltrok zich een klein drama in Twente vanwege een opkomstliedje. Toen maakten FC Twente-fans Wilfried Poorthuis en Edwin van Hoevelaak bekend een vervanger te willen schrijven voor de versleten oppepper You’ll Never Walk Alone. Het nieuwe opkomstnummer moest een ‘heroïsche meezinger zijn, vertelden ze dromerig aan regionaal dagblad Tubantia. ‘En je moet het makkelijk met je sjaal en vlag kunnen meedeinen.’

Hadden ze alleen niet overlegd met FC Twente-supporters, die niet op verandering zaten te wachten. Dus toen Poorthuis en Van Hoevelaak vervolgens dreigementen van supporters ontvingen (‘stop hiermee, ik weet waar je woont. Ik weet je te vinden. Ik weet in welke Skybox je zit...’), besloten ze hun plannen maar aan de wilgen te hangen. Voorlopig zullen ze braaf moeten meezingen met de rest.

Nee, het belang van opkomstliedjes moet je niet onderschatten, weten ze in de Amerikaanse politiek - en inmiddels ook in de Amerikaanse journalistiek. In een schitterende crossmediale productie analyseerde The New York Times deze week alle opkomstnummers die de huidige presidentskandidaten op rally’s hebben gedraaid.

Enkele bevindingen: Kamala Harris, die veel stemmen van Afro-Amerikanen hoopt binnen te halen, klimt graag het podium op met zwarte en Latino-artiesten als Mary J. Blige en rapper Kendrick Lamar dwars door de speakers. Een ruime meerderheid van de liedjes waarmee de Texaanse presidentskandidaat Beto O’Rourke zijn opkomst laat omlijsten, bestaat uit countrynummers. Kirstin Gillibrand, die aast stemmen van vrouwen, kiest voornamelijk vrouwelijke artiesten en hier en daar wat rappers voor de nodige streetcredibility. Voor dat laatste koos Gillibrand trouwens een nummer van de vorig jaar vermoorde XXXTentacion. Een ietwat ongelukkige keuze voor een voorvechter van vrouwenrechten: de rapper was niet lang voor zijn dood veroordeeld voor mishandeling van zijn zwangere vriendin.

Bernie Sanders, die in 2016 nog kritiek kreeg op zijn campagne die te veel gericht zou zijn op mannen, heeft drie jaar later nul opkomstliedjes van vrouwelijke artiesten in zijn rally-playlist staan. Hij laat liever mannelijke rouwdouwers horen die zingen over revolutie en de arbeidersklasse. En Donald Trump heeft een voorkeur voor witte artiesten en bandjes uit de vorige eeuw.

Het is een verleidelijke invalshoek om politici te analyseren. Zo komt een politicus die nauwelijks heeft nagedacht over de playlist over als een dooie cavia. De tik die een The New York Times-muziekrecensent presidentskandidaat Julián Castro geeft voor zijn ongeïnspireerde bij elkaar geraapte zooitje liedjes, veronderstelt ook iets over een gebrek aan visie: ‘Castro’s muziekkeuze reflecteert de saaiheid van iemand die nieuwe liedjes oppikt via de speakers in een supermarkt.’

Een opkomstliedjessoundtrack zegt veel over een presidentskandidaat, laat The New York Times smakelijk zien. Bij identiteitspolitiek hoort identiteitsmuziek. Hoe lullig ook voor artiesten die soms met afgrijzen moeten toekijken hoe hun hits een politieke lading krijgen.

In Nederland weten we niet beter dan playlists waar nauwelijks over is nagedacht. Hier moeten we het na een verkiezingsavond doen met hitsige popliedjes van Sean Paul (D66), dansdeuntjes van Bruno Mars (VVD) en oriëntalistische housemuziek (DENK). Muziek zonder diepte en uitstraling: kenmerkend voor de Nederlandse politiek. Maar daar heb ik geen muziekanalyse voor nodig.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden