Omdat ik veel schrijf en voortdurend bang ben dat mijn woorden op zullen raken, noteer ik woorden van anderen

null Beeld Eva Roefs
Beeld Eva Roefs

Frank Heinen noteert mooie citaten in zijn document Topzinnen.doc, maar ze verwelken vaak onmiddellijk.

‘Jusqu’ici, tout va bien.’ (La Haine)

In het gedicht Toch niet helemaal van Judith Herzberg staat: ‘Je lijdt, tijdens het lezen al / onder het naderhand vergeten worden.’ De context ben ik vergeten, Joost mag weten wat ze in het geheel van het gedicht precies betekenen. Het enige wat ik weet, is dat ik ze heb opgeschreven omdat ik aan die woorden bleef haken, omdat ze precies de angst omschrijven die ervoor heeft gezorgd dat ik ze heb overgeschreven. Guus Kuijer schrijft in Eend voor eend: ‘Plotseling alleen, zonder bruikbare regels bij de hand, dát is verdriet.’ En hoewel dat geloof ik over iets volkomen onvergelijkbaars gaat, en dat zelfs het woord ‘regels’ een andere betekenis heeft, omschrijft die zin met uitzonderlijke precisie wat ik uit alle macht tracht te voorkomen.

Omdat ik veel schrijf en voortdurend bang ben dat mijn woorden op zullen raken (Alice Munro: ‘Buiten de uren waarin ik schrijf, kan ik totaal niet schrijven’), noteer ik woorden van anderen. In mijn cloud zweeft een klein wolkje dat ‘Topzinnen.doc’ heet. Het is een vreemdsoortige lijst waarin iedere vorm van logische ordening ontbreekt. Er staan zinnen en woorden en songteksten en delen van gedichten tussen. Af en toe neem ik een motto uit een boek over, wat altijd een beetje als valsspelen voelt: alsof je de karper van je buurman omhooghoudt voor de foto in Vis Magazine. De meeste mensen onderstrepen dat soort passages met potlood, maar in boeken strepen of er je eigen gedachten in krabbelen, beschouw ik als een vorm van vandalisme. Ook al is het jouw boek, ook al ben jij de lezer die het verhaal vormgeeft, je bent toch te gast tussen de woorden. Zelfs in het huis van je beste vrienden hang je niet ongevraagd een zelfgemaakt schilderijtje aan de muur.

Het hele internet staat vol met lijsten fraaie zinnen, het is tamelijk onnodig om daar nog een particulier lijstje aan toe te voegen. En toch: wanneer ik Topzinnen.doc bijwerk, overvalt me een bevredigend gevoel van georganiseerdheid. In gedachten archiveer ik niet slechts het gelezene, maar ook de leeservaring. Althans, dat hoop ik dan, maar in werkelijkheid koekt in het document steeds meer sediment aan tot iets wat Annie Ernaux in De jaren ‘een onmetelijk reservoir aan vage herinneringen’ noemt, onder het Campert-motto ‘Mijn verleden is een verhaal dat ik ergens gelezen heb’.

Verder scrollen. Pagina’s vol gebulletpointe zinnen, strofes en woorden op zoek naar een nieuw verband. Er zitten grappen bij, en ook een enkel los woord. Waarom? Wat valt er te onthouden aan ‘eensporig’? Wie was ik toen ik dacht: dat mag ik niet vergeten? Bij sommige punten ben ik volkomen vergeten waarom ik ze heb genoteerd, bij herlezing lijkt er weinig bijzonders aan. Het zijn bloemen, geplukt uit een kleurige, wild begroeide berm, die, eenmaal in een vaasje, verweesd voor zich uit staan te stralen. Los van de context verwelken de woorden die op een eerder moment kennelijk iets aan me onthulden.

Soms denk ik: nu wordt het te veel. Dan kies ik er eentje uit, verwerk die in de tekst waaraan ik werk. Tijdens het herschrijven verwijder ik dat citaat vervolgens weer, want het staat enorm aanstellerig, die geleende wijsheden. Het blijken zetjes in de verkeerde richting. Schouderduwtjes, die mijn eigen zinnen uit de rails laten lopen. Als het me werkelijk ernst zou zijn met Topzinnen.doc, zou ik die zin vervolgens weer terugzetten, maar dat doe ik nooit. De zin heeft afgedaan, hij kan het niet op eigen houtje.

‘Een boek hoort geen spiegel te zijn’, monkelt Fran Lebowitz in Pretend it’s a city, ‘Een boek moet een deur zijn.’ Voor mij zijn boeken deuren die maar vanaf één kant opengaan. Eenmaal erdoorheen kun je nooit meer terug naar het moment dat je aan de klink stond te sjorren. Zo is het ook met die zinnen, die ooit, de eerste keer dat je ze tegenkwam, een indruk maakten die niet meer terug te roepen valt. Ze zijn er nog, onaangetast, maar de jij die ze voor het eerst las is er niet meer. Anna Enquist schrijft: ‘Het verlangen naar een oude trui is verlangen naar de persoon die je was toen je die trui droeg.’ En zo, denk ik, is het, vermoedelijk, ongeveer. Al zou ik het zelf helemaal anders formuleren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden