Column Erdal Balci

Olcay Gulsen lacht vanaf de posters naar ons met de ogen van een vrouw die verlaten is

Ze staat op posters en lacht vanaf het papier de wereld toe. Ik weet dat als ik mijn hand op haar schouder zou leggen, tranen van het papier zouden rollen. Het slagveld dat al vijftig jaar op strijders wachtte, heeft zij betreden. En ze is gevallen. Olcay Gulsen, de vrouw die in dezelfde dagen haar boek over succesvol ondernemen en de documenten van haar faillissement signeerde, hoor ik fluisteren: ‘Verwikkeld in een klassenstrijd ben ik zwaar gewond geraakt. Ja, ik heb het ernaar gemaakt.’

Niets is moeilijker dan een treetje hoger komen op de maatschappelijke ladder. Het vergt een levenslange inspanning en is een kwestie van rijker worden, je een andere cultuur toe-eigenen, beter opgeleid zijn, de lakens met de juiste personen delen, een andere smaak voor eten, muziek, film en boek ontwikkelen en erg bekwaam zijn in het afscheid nemen van alles wat jou had gemaakt tot wie je was. En nog is succes niet gegarandeerd.

De film La vie d'Adèle, winnaar van de Gouden Palm in 2013, vertelt het lesbische liefdesverhaal van Adèle en het meisje met het blauwe haar op wie zij verliefd wordt. Adèle komt uit een lagere sociale klasse, haar vriendin uit een elitaire familie. Vanwege ellenlange seksscènes in deze film had de Frans-Tunesische regisseur Abdellatif Kechiche enorme kritiek te verduren. Kechiche zou het verhaal hebben verlaagd tot pornografie waarbij heteromannen hun vingers aflikken.

Het waren echter die scènes die de film voor mij onvergetelijk maakten. Wat we zagen was namelijk niet enkel een liefdesverhaal, maar vooral hoe zelfs de kracht van liefde en seks er niet in slaagde om de horde, die het verschil in sociale klassen tussen de twee meiden opwerpt, omver te gooien.

Adèle was beeldschoon en hield zielsveel van het elitaire meisje met het blauwe haar. Als twee beeldschone dieren hebben ze elkaar overal zolang gelikt dat ze van de vermoeidheid erbij neervielen. Maar het mocht allemaal niet baten. Naarmate de film vordert, wordt duidelijk dat ze mooi, mens en niet gelijk zijn.

Olcay Gulsen had meer haast dan Adèle. Als kind van migranten uit Turkije, geboren in een achterstandswijk in Waalwijk, wilde ze niet een enkele trede beklimmen, maar een sprong wagen naar de afgezonderde sociale klasse aan de top van de maatschappij.

Ontwerper Olcay Gulsen. Foto ANP Kippa

Haar ‘soortgenoten’ gingen haar niet voor in deze droom. Die weigeren al een halve eeuw onderdeel te worden van de cultuur van hun nieuwe land, achten zich succesvol als ze genoeg geld hebben gespaard voor huizen en villa’s in het moederland, voeren voornamelijk een gevecht voor het behoud van de plattelandslevensstijl van de landen van herkomst, zijn betoverd door hun eigen geloof en cultuur en zijn daarom niet in staat om ambities te ontwikkelen die bij de moderniteit van Europa passen.

Olcay was dus anders. Ze doet mij denken aan de twee jongemannen William en Arthur uit het Amerikaanse Wisconsin. Hun vieze handen, de races waar ze zelf aan meededen, de geur van olie aan hun lichamen. Kinderen van hun eigen tijd. Ijverig, ambitieus, onstuimig. Ze konden niet anders dan naar voren schieten in de klassenstrijd die altijd woedt. Het merk Harley-Davidson is uiteindelijk onder hun leiding groot geworden en de jongens hebben reuzenstappen gezet op die maatschappelijke ladder.

Voor de dochter van de Koerdische migranten in Waalwijk geen stank van de olie en de uitlaatgassen. Zij trok zich aan textiel omhoog. Ze was zodanig in de vezels van de maatschappij opgegaan dat ze de kleren ontwierp voor de mensen van dit land. Op de lange termijn zou haar merk het moeten opnemen tegen merken als Zara en Mango. Olcay reisde de wereld rond voor zaken­gesprekken en sloot zich aan bij de crème de la crème.

Zoals ze omhoogschoot in het klassenstelsel leek ze wel op Lady Diana, maar dan zonder de helpende hand van een of andere Charles. Hoe ze het had gedaan, vertelde ze in een interview: ‘Ik heb veel gebluft, ik heb een beetje gelogen, ik heb interessant gedaan, ik heb mezelf beter voorgedaan dan ik was -- het hoort er allemaal bij. En ik zou het morgen weer doen.’

Olcay heeft door het oerwoud gelopen en het blauwe meer gevonden. En nu lacht ze vanaf de posters naar ons met de ogen van een vrouw die verlaten is. Voor Adèle geen blauw haar, voor Lady Di geen blauw bloed en voor Olcay geen blauw meer. Rood was hun kleur. Rood is hun kleur. Rood is de kleur van het bloedend hart van de pioniers.

Erdal Balci is journalist en schrijver.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.